Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.Het procesverloop
24 mei 2019 gestelde vragen. Daarbij stelt verzoeker zich op het standpunt dat de geplande zitting op 24 juni 2019 onrechtmatig is en uitgesteld dient te worden.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen drie bestuursrechters in een procedure over een verzoek tot herziening van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep betreffende premies die ten laste van private pensioenen worden ingehouden. Het wrakingsverzoek betrof de afwijzing van verzoeken om uitstel van de mondelinge behandeling en om toezending van het einddossier van de Nederlandse Staat.
De wrakingskamer oordeelde dat deze beslissingen louter procedureel zijn en in beginsel geen grond voor wraking vormen. Verzoeker stelde dat er sprake was van vooringenomenheid, maar kon hiervoor geen concrete feiten of omstandigheden aanvoeren. Daarnaast werd het wrakingsverzoek als het tweede in deze procedure beschouwd, wat aanleiding gaf tot een wrakingsverbod vanwege de onwerkbare situatie die herhaald en vroegtijdig gebruik van wraking veroorzaakt.
De wrakingskamer wees het verzoek af, bepaalde dat het proces wordt voortgezet in de stand van vóór het wrakingsverzoek en besloot dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling wordt genomen. De beslissing werd op 29 juli 2019 openbaar uitgesproken en is niet vatbaar voor rechtsmiddel.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen en een volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen.