De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader om zijn minderjarige kind terug te leiden naar Albanië, op grond van het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering. De vader stelde dat de moeder het kind in strijd met zijn gezagsrecht naar Nederland had overgebracht. De rechtbank bevestigde dat sprake was van een ongeoorloofde overbrenging volgens het Verdrag, omdat de moeder het kind zonder toestemming van de vader naar Nederland had gebracht.
De kernvraag was echter of de vader zijn gezagsrecht daadwerkelijk uitoefende op het moment van overbrenging. Uit verklaringen van het kind, de moeder en de oudste dochter bleek dat de vader sinds 2013 geen actieve rol meer speelde in het leven van het kind en er geen frequent en structureel contact was. De vader woonde in Duitsland en later Amerika, had geen direct contact met de moeder en beperkte het contact met het kind tot één of twee keer per jaar via de grootmoeder.
De rechtbank concludeerde dat de vader zijn gezagsrecht niet daadwerkelijk uitoefende, omdat hij zich niet actief met de belangen van het kind bemoeide en geen overleg voerde met de moeder over belangrijke zaken. Ook als de moeder het kind niet naar Nederland had gebracht, zou de vader zijn gezagsrecht niet hebben uitgeoefend. Daarom werd het verzoek tot teruggeleiding afgewezen.
De rechtbank wees ook het verzoek tot voorlopige voogdij af, omdat daarvoor geen wettelijke grondslag meer bestond. De moeder werd niet veroordeeld in de proceskosten. De bijzondere curator blijft betrokken zolang er hoger beroep wordt ingesteld. De beschikking werd uitgesproken door drie rechters en is vatbaar voor hoger beroep binnen twee weken.