ECLI:NL:RBDHA:2019:7990

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juli 2019
Publicatiedatum
2 augustus 2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7487
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.6 lid 4 Wet IB 2001ECLI:NL:HR:2013:BW6552
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen afwaardering rentevordering na faillissement en bevestiging verzuimboete

Eiser, directeur en enig aandeelhouder van een BV die failliet is verklaard, betwist de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2013, met name de belastingrente en verzuimboete. De kern van het geschil betreft de vraag of de bijgeschreven rente op een lening aan zijn BV afgewaardeerd mag worden vanwege het faillissement van de BV.

De rechtbank stelt vast dat ongeacht of de lening zakelijk is, de rentevordering gewaardeerd moet worden op de waarde in het economische verkeer. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat eiser een schuld in rekening-courant aan zijn BV had, waarmee de rentevordering verrekend kon worden. Hierdoor is geen sprake van oninbaarheid van de rente en is afwaardering niet toegestaan.

Daarnaast is de verzuimboete terecht opgelegd omdat het uitstel voor het indienen van de aangifte was ingekort vanwege het aangiftegedrag van eiser. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd dat de boete onterecht of te hoog is opgelegd.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inclusief rente en boete blijft in stand.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 18/7487

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Harreman),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 261.894 alsmede belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd (de aanslag). Het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag is afgewezen op 9 januari 2018.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 oktober 2018 het vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning verminderd naar € 111.240.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2019.
Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. de Roon, [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser is directeur en enig aandeelhouder van [BV] ( [BV] ), die belangen houdt in meerdere binnen- en buitenlandse vennootschappen. In 2006 is eiser in privé een kredietovereenkomst aangegaan met de Hollandse Bank-Unie (HBU/DB). De omvang van de rekening-courant krediet is € 4.500.000, met een looptijd van twee jaar, een aflossingsschema en een effectief rentepercentage van 5,7%. De rente is niet afgelost maar bijgeschreven.
2. Eiser heeft het geld binnen de groep via [BV] doorgeleend. De bijgeschreven rente bedraagt in 2013 € 190.923. Deze rente heeft verweerder belast.
3. [BV] is op 23 april 2013 failliet verklaard.
Geschil4. In geschil is of de bijgeschreven rente op de lening aan [BV] in 2013 mag worden afgewaardeerd ten laste van eisers belastbare inkomen uit werk en woning.
5. Eiser stelt dat de lening die hij in 2006 heeft gesloten met
[BV] een zakelijke lening is. Vanwege het faillissement van [BV] is de rente over 2013 oninbaar en daarom wil eiser deze rentevordering afwaarderen ten laste van zijn belastbaar inkomen uit werk en woning.
6. Verweerder stelt dat sprake is van een onzakelijke lening en dat afwaardering van de lening en de rentevordering ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning daarom niet mogelijk is. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat eiser in totaal € 8.600.000 aan rekeningcourantschuld heeft aan [BV] , waarmee de rentevordering kon worden verrekend. De rentevordering is daarom niet oninbaar zodat voor afwaardering geen plaats is.
Beoordeling van het geschil
7. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of sprake is van een zakelijke dan wel onzakelijke lening. Ook bij een onzakelijke lening dient de rentevordering gelet op het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BW6552, te worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld dat gelet op de in het dossier aanwezige grootboekkaarten, eiser een schuld in rekening-courant aan [BV] had waarmee de door [BV] aan eiser verschuldigde rente had kunnen worden verrekend. Van oninbaarheid van de rente is dan ook geen sprake, zodat voor afwaardering geen plaats is. Dat die verrekening niet daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft het verzoek om ambtshalve vermindering op dit punt terecht afgewezen.
8. Op grond van artikel 9.6, vierde lid, van de Wet IB 2001 geldt het verzoek ambtshalve vermindering ook voor beschikkingen die afzonderlijk op het aanslagbiljet staan vermeld. Volgens de parlementaire geschiedenis valt de boete hieronder (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 130, nr. 3, p. 51). Eiser heeft eerst ter zitting gesteld dat de verzuimboete ten onrechte is opgelegd omdat er uitstel voor het indienen van de aangifte liep ten tijde van de aanslagoplegging. Hiertegenover heeft verweerder - door eiser onvoldoende weersproken- verklaard dat het uitstel was ingekort vanwege het aangiftegedrag van eiser. Hiermee is eiser niet in de op hem rustende bewijslast voor ambtshalve vermindering geslaagd, aangezien niet is gebleken dat de verzuimboete ten onrechte of tot een te hoog bedrag is opgelegd.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.A. Kranenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.