In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder, de Raad voor Rechtsbijstand, om een eerder toegekende vergoeding voor rechtsbijstand in te trekken. De intrekking was gebaseerd op het argument dat de zaak onder de specialisatievereiste personen- en familierecht viel, waarvoor eiser niet was gespecialiseerd.
Eiser voerde aan dat het geschil primair een verbintenisrechtelijk karakter had, gericht op schadevergoeding en eigendomsrecht, en niet viel onder het personen- en familierecht. De rechtbank oordeelde dat het beleid van verweerder om alle geschillen tussen voormalige partners onder het personen- en familierecht te scharen niet begrijpelijk en niet voorzienbaar is, vooral omdat in deze zaak geen aanvullende omstandigheden waren die aansluiting bij Boek 1 BW rechtvaardigen.
De rechtbank stelde vast dat de vordering zijn oorsprong vond in Boek 5 en 6 BW en dat de relatie tussen partijen slechts kort was en zonder huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenlevingscontract. Daarom was het specialisatievereiste niet van toepassing. De rechtbank achtte het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en gaf verweerder zes weken de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Iedere verdere beslissing werd aangehouden.