ECLI:NL:RBDHA:2019:8579
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot dwanginstemming schuldregeling wegens fraudevordering
Verzoeker heeft gelijktijdig met een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend om een schuldeiser te dwingen in te stemmen met een door hem aangeboden buitengerechtelijke schuldregeling conform artikel 287a van de Faillissementswet.
De schuldregeling voorziet in een uitkering van 20,16% aan preferente en 10,08% aan concurrente schuldeisers over een periode van 36 maanden, met finale kwijting van de restantschuld. Acht van de negen schuldeisers stemden in, maar de gemeente Den Haag, als schuldeiser met een vordering van circa 21% van de totale schuld, weigerde vanwege een recidive fraudevordering.
De rechtbank oordeelt dat een schuldeiser slechts onder bijzondere omstandigheden kan worden gedwongen in te stemmen met een schuldregeling. De fraudevordering uit 2015, die vergelijkbaar is met een eerdere vordering uit 2014, en het bewust risico van verzoeker om opnieuw fraude te plegen, geven extra gewicht aan de weigering van de schuldeiser.
Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het buitengerechtelijke akkoord gunstiger is dan de wettelijke schuldsaneringsregeling, mede gezien het preferente karakter en het aanzienlijke aandeel van de vordering van de weigerende schuldeiser. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Verzoeker handhaaft het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, waarover afzonderlijk zal worden beslist.
Uitkomst: Het verzoek tot het bevelen van instemming met de aangeboden schuldregeling wordt afgewezen vanwege de recidive fraudevordering en het aanzienlijke aandeel van de schuldeiser in de totale schuld.