ECLI:NL:RBDHA:2019:8580
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
Verzoeker diende op 15 juli 2019 een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank behandelde het verzoek op 20 augustus 2019, waarbij verzoeker werd gehoord samen met een schuldhulpverlener.
Volgens artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro moet verzoeker te goeder trouw zijn geweest met betrekking tot het ontstaan en het onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. De rechtbank beoordeelde dit aan de hand van diverse omstandigheden, waaronder de aard en omvang van de schulden en het gedrag van verzoeker.
Een belangrijke schuld betrof een fraudevordering van de gemeente Den Haag uit 2015, ontstaan door het niet opgeven van inkomsten terwijl verzoeker een Participatiewetuitkering ontving. Dit was niet de eerste keer; een soortgelijke vordering ontstond ook in 2014. Verzoeker was zich bewust van het risico van een nieuwe fraudevordering maar nam dit voor lief.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt te goeder trouw te zijn geweest. Het beroep op de hardheidsclausule uit artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro werd verworpen omdat geen sprake was van onder controle gekregen omstandigheden die bepalend waren voor het ontstaan van de schulden. Hoewel verzoeker onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal aanvoerde als medebepalende factor, bleek dat hij het advies om een taalcursus te volgen niet had opgevolgd.
Daarom wees de rechtbank het verzoek tot toepassing van de WSNP af. Verzoeker heeft acht dagen na uitspraak de mogelijkheid tot hoger beroep, dat door een advocaat moet worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw.