ECLI:NL:RBDHA:2019:8591
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. de Zeben - de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek Koerdische zanger wegens onvoldoende bewijs vervolgingsgevaar
Eiser, een Turkse Koerdische zanger, verzocht om een verblijfsvergunning asiel wegens vrees voor vervolging door Turkse autoriteiten vanwege het zingen van Koerdische liederen op bruiloften. Hij stelde dat vrienden en familieleden waren gearresteerd en dat de politie hem in de gaten hield.
De rechtbank achtte de identiteit en het zingen van Koerdische liederen geloofwaardig, maar oordeelde dat de vrees voor vervolging onvoldoende aannemelijk was. Eiser kon niet aantonen dat hij zelf problemen had ondervonden, noch dat hij politieke activiteiten ontplooide. Documenten over arrestaties van zijn vrienden en zwager ontbraken, waardoor niet kon worden vastgesteld of zij uitsluitend vanwege het zingen werden vervolgd.
Ook de stelling dat de politie spionnen inzette en visitekaartjes verzamelde werd onvoldoende onderbouwd. Het feit dat eiser meerdere keren legaal Turkije in en uit reisde, maakte de vrees minder aannemelijk. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het asielverzoek ongegrond had afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar.