ECLI:NL:RBDHA:2019:8592
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. de Zeben - de Vries
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen niet-ontvankelijkheid vierde asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe feiten
Eiser, een Iraanse staatsburger, heeft meerdere asielaanvragen ingediend, waarvan de eerste drie zijn afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard wegens ongeloofwaardigheid van zijn identiteit en gebrek aan nieuwe feiten. In zijn vierde aanvraag overlegt hij een tweede identiteitskaart en documenten die zijn betrokkenheid bij het Iraanse verzet onderbouwen.
De staatssecretaris verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a Vreemdelingenwet 2000, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die de ongeloofwaardigheid van eerdere verklaringen wegnemen. De rechtbank oordeelt dat de overgelegde identiteitskaart en andere documenten onvoldoende zijn om de twijfel over de identiteit van eiser weg te nemen. Ook de stelling dat eiser actief is in het Iraanse verzet vormt geen nieuwe grond voor asiel.
De rechtbank concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Iran. De zogenaamde Bahaddar-exceptie is niet van toepassing. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere beslissingen blijven in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de vierde asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.