ECLI:NL:RBDHA:2019:8733

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 augustus 2019
Publicatiedatum
23 augustus 2019
Zaaknummer
NL19.17139
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2011/95/EURichtlijn 2013/32/EURichtlijn 2013/33/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen terugnamebesluit asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend, waarna de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een terugnameverzoek aan Duitsland heeft gedaan, omdat eiser eerder daar een asielverzoek indiende. Duitsland stemde in met het terugnameverzoek, waarna de staatssecretaris het verzoek tot behandeling van de aanvraag in Nederland afwees op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Eiser betwist dat in Duitsland een deugdelijk leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden en stelt minderjarig te zijn, terwijl Duitsland hem als meerderjarig registreerde. De rechtbank overweegt dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juiste registratie in een andere lidstaat, en dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat deze onjuist is. Eiser heeft geen authentieke documenten overgelegd en zijn betwisting van het leeftijdsonderzoek onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht is uitgegaan van de Duitse gegevens en niet verplicht was een nieuw leeftijdsonderzoek aan te bieden. Ook het betoog over onzorgvuldigheid in de besluitvorming faalt, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daardoor in zijn belangen is geschaad.

Verder geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij wordt aangenomen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugnamebesluit wordt ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij minderjarig is en Duitsland verantwoordelijk is voor de asielprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.17139

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 juli 2019 (het bestreden besluit).
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Eiser heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft Duitsland verzocht eiser terug te nemen, omdat eiser eerder daar een asielverzoek heeft ingediend. De Duitse autoriteiten hebben met dit terugnameverzoek ingestemd.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
3. Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet is in geschil dat eiser bij zijn eerdere asielverzoek in Duitsland én ook bij deze aanvraag in Nederland heeft verklaard minderjarig te zijn. Ter beantwoording ligt de vraag of verweerder op basis van de leeftijdsregistratie van eiser in Duitsland terecht is uitgegaan van de meerderjarige leeftijd van eiser. Eiser betwist dat in Duitsland een (deugdelijk) leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden, waarbij hem de geboortedatum [geboortedatum] toegekend.
5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) [1] mag verweerder in beginsel uitgaan van de juistheid van de registratie in een andere lidstaat. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat deze geregistreerde geboortedatum onjuist is.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de in Duitsland geregistreerde geboortedatum onjuist is. De enkele betwisting van het leeftijdsonderzoek en de toegekende geboortedatum is hiervoor onvoldoende. Dat eiser zelf niet die datum als geboortedatum heeft opgegeven, betekent niet dat verweerder ten onrechte van die geboortedatum is uitgegaan. Eiser heeft geen authentieke, identificerende documenten overgelegd om aannemelijk te maken dat hij wél minderjarig is. Het betoog van eiser dat in Duitsland sprake is geweest van miscommunicatie en dat hij in Duitsland de tolk niet goed kon verstaan, heeft hij niet onderbouwd en kan reeds daarom niet slagen. Verweerder heeft dan ook terecht de Duitse gegevens overgenomen, is terecht uitgegaan van de meerderjarige leeftijd van eiser en was niet gehouden om eiser (opnieuw) een leeftijdsonderzoek aan te bieden.
7. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser dat sprake is van onzorgvuldigheid in de besluitvorming, omdat eerst bij het bestreden besluit de uit Duitsland verkregen onderzoeksgegevens zijn bijgevoegd. Eiser heeft weliswaar bij de zienswijze niet kunnen reageren op deze gegevens, maar heeft in beroep ook niet onderbouwd waarom een eerdere reactie nodig zou zijn geweest dan wel dat hij daardoor ook nu nog in zijn belangen zou zijn geschaad.
8. Met het terugnameakkoord van 29 mei 2019 hebben de Duitse autoriteiten gegarandeerd om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen [2] . Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan worden uitgegaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen. Eiser heeft niet met documenten of anderszins aangetoond dat niet van dit uitgangspunt kan worden uitgegaan. Ook met zijn persoonlijke relaas heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder ten aanzien van Duitsland ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij voorkomende problemen in de opvang en de asielprocedure dient eiser te klagen bij de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat voor hem niet mogelijk is.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. Paulus, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 15 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:134), 15 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2219) en 7 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1910)
2.Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn), Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn).