ECLI:NL:RBDHA:2019:8753
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking asielvergunning wegens ongeloofwaardigheid bekering en terugkeer Iran
Eiser, een Iraanse nationaliteit bezittende asielzoeker, heeft meerdere asielaanvragen ingediend, waarvan de eerdere zijn afgewezen. In 2013 werd hem een asielvergunning verleend op grond van zijn bekering tot het christendom. Deze vergunning werd in 2017 ingetrokken omdat eiser volgens een brief van zijn kerk zich van het christendom had afgekeerd en omdat hij vrijwillig naar Iran was teruggekeerd. Dit besluit werd in rechte bevestigd.
Eiser diende een vijfde opvolgende asielaanvraag in en stelde dat hij nog steeds christen is en niet naar Iran is teruggekeerd. Hij overhandigde een nieuwe brief van zijn kerk waarin de eerdere brief werd betwist en voerde ernstige gewetensbezwaren aan tegen militaire dienst in Iran. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van zijn verklaringen.
De rechtbank oordeelde dat de eerdere rechterlijke uitspraak bindend was voor de terugkeer naar Iran en dat eiser onvoldoende bewijs leverde om dit te weerleggen. Ook achtte de rechtbank de verklaring over zijn bekering niet geloofwaardig, mede door tegenstrijdige brieven van de kerk en het ontbreken van nieuwe geloofwaardige verklaringen. De rechtbank wees het beroep af en liet de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State open.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de asielvergunning wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardigheid van de bekering en terugkeer naar Iran.