ECLI:NL:RBDHA:2019:885
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige
Verzoeker, een Turkse zelfstandige, heeft meerdere keren een verblijfsvergunning aangevraagd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige bij hetzelfde bedrijf. Alle eerdere aanvragen zijn afgewezen. De aanvraag van 19 december 2018 werd eveneens afgewezen door verweerder onder toepassing van artikel 4:6 Awb Pro, waarbij verzoeker niet in Nederland mocht verblijven tijdens de bezwaarprocedure.
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar zou zijn beslist. De voorzieningenrechter overweegt dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven tot toewijzing van de voorlopige voorziening. De aanvraag bevatte slechts een formeel ingevuld formulier en een brief met stukken, zonder concrete nieuwe informatie.
De rechter stelt dat ook bij een inhoudelijke beoordeling niet evident is dat de aanvraag zou moeten worden ingewilligd, noch dat deze voor advies aan de minister van Economische Zaken en Klimaat moet worden voorgelegd. Verzoeker mag noch het bezwaar, noch het verzoek om voorlopige voorziening in Nederland afwachten. Het verzoek wordt afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard op grond van artikel 78 Vreemdelingenwet Pro 2000.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening en het bezwaar tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning worden afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden.