ECLI:NL:RBDHA:2019:8888
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek stankoverlast en verbod op klachten over vermeende overlast
In deze zaak hebben buren elkaar beschuldigd van stankoverlast vanuit een appartement. De klagers stellen dat hinderlijke geuren zoals rook, geurkaarsen en pesticiden hun gezondheid schaden, terwijl de bewoners van het appartement dit ontkennen en juist last hebben van het voortdurende klaaggedrag.
De kantonrechter stelt vast dat niet alle hinder ontoelaatbaar is en dat buren een zekere mate van hinder moeten accepteren. De verklaringen van partijen zijn tegenstrijdig, maar de klagers hebben onvoldoende objectief bewijs geleverd dat de overlast onrechtmatig is. Het huishoudelijk reglement van de VVE staat het gebruik van bijvoorbeeld barbecues en roken op het balkon toe.
Daarom wordt het verzoek van de klagers afgewezen. De kantonrechter legt een verbod op aan de klagers om verdere klachten over vermeende stankoverlast te uiten, onder dreiging van een dwangsom. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.
Uitkomst: Het verzoek tot het beëindigen van stankoverlast wordt afgewezen en de klagers worden verboden verdere klachten te uiten onder dwangsom.