ECLI:NL:RBDHA:2019:9038

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juli 2019
Publicatiedatum
29 augustus 2019
Zaaknummer
NL19.7831 V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet niet-ontvankelijk wegens ontbreken contact en vertrek met onbekende bestemming

De opposant had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de staatssecretaris niet in behandeling werd genomen omdat Italië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag. De opposant stelde beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde dit beroep kennelijk ongegrond omdat hij geen authentieke documenten over zijn minderjarigheid kon overleggen en het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing was.

Tegen deze uitspraak stelde de opposant verzet in, stellende dat hij minderjarig is en dat een zitting noodzakelijk was om zijn gronden toe te lichten. Tijdens de zitting verscheen de opposant niet, en bleek dat hij sinds 15 mei 2019 met onbekende bestemming was vertrokken zonder de autoriteiten te informeren. Zijn gemachtigde kon geen contact met hem krijgen.

De rechtbank oordeelde op basis van jurisprudentie dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt en geen contact onderhoudt, moet worden aangenomen dat hij geen prijs meer stelt op de bescherming. Gezien het ontbreken van contact en het niet verschijnen van opposant en zijn gemachtigde, verklaarde de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de opposant met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.7831 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2019 op het verzet van

[opposant], opposant, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R. Akkaya).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2019 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder) de aanvraag van opposant tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Opposant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 11 april 2019 heeft de rechtbank Den Haag dat beroep kennelijk ongegrond verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2019. Opposant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Namens verweerder is mr. W. Vrooman verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant geen authentieke identificerende documenten heeft overgelegd waaruit de door hem gestelde geboortedatum, en aldus zijn minderjarigheid, blijkt en dat verweerder ten opzicht van Italië uit heeft mogen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
2. In verzet voert opposant aan dat het beroep ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard, aangezien er niet op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat de beroepsgronden niet zouden slagen. Aan hem is dan ook ten onrechte de mogelijkheid ontnomen om tijdens een zitting de gronden van beroep nader aan te vullen dan wel toe te lichten. Nu opposant stelt minderjarig te zijn, had een zitting waarbij hij aanwezig is verduidelijkend kunnen werken. De rechtbank had zijn zaak in volle omvang dienen te behandelen en toetsen. Het enkele feit dat de aanvraag van opposant is afgewezen omdat Italië voor de behandeling van zijn aanvraag verantwoordelijk is geacht, betekent nog niet dat de zaak vereenvoudigd afgedaan kon worden.
3. Op 1 juli 2019 heeft verweerder een brief van 15 mei 2019 ingebracht. Met deze brief heeft verweerder aan de Italiaanse autoriteiten bericht dat de overdracht van opposant niet binnen de in de Dublinverordening neergelegde termijn kan plaatsvinden, omdat opposant met onbekende bestemming is vertrokken. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat op 15 mei 2019 door het COA is gemeld dat opposant met onbekende bestemming is vertrokken.
4. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579) volgt dat indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit dient te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
5. Nu opposant op 15 mei 2019 met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft en de gemachtigde van opposant op 2 juli 2019 aan de rechtbank heeft bericht dat hij op dat moment geen contact met opposant heeft kunnen opnemen, gaat de rechtbank er vanuit dat opposant kennelijk geen prijs meer stelt op de inhoudelijke beoordeling van zijn verzet. Daarbij acht de rechtbank van belang dat opposant noch zijn gemachtigde ter zitting zijn verschenen.
6. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C. de Grauw, griffier.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.