ECLI:NL:RBDHA:2019:9040
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublinverordening en artikel 8 EVRM
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende vreemdeling, diende een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser stelde dat Duitsland zijn asielverzoek niet inhoudelijk zou behandelen en dat hij bij terugkeer naar Duitsland indirect zou worden uitgezet naar Marokko, waar hij vervolging vreest. Tevens stelde hij dat terugkeer een schending van artikel 8 EVRM Pro zou opleveren vanwege zijn partner in Nederland.
De rechtbank overwoog dat Duitsland gebonden is aan het Vluchtelingenverdrag en het EVRM, en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat Duitsland deze verplichtingen niet zou naleven. De Duitse autoriteiten hadden bovendien toegezegd het asielverzoek in behandeling te nemen, waardoor geen sprake is van indirect refoulement. Het argument van eiser dat hij in Duitsland geen kosteloze rechtsbijstand zou krijgen, werd niet voldoende onderbouwd en faalde.
De rechtbank benadrukte dat de procedure alleen ziet op de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en dat de relatie met een partner in Nederland niet relevant is in deze fase. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.