Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, stellende dat de waardestijging van 42% over drie jaar buitenproportioneel is en niet overeenkomt met de algemene huizenprijsstijging in de regio. De rechtbank overweegt dat de Wet WOZ vereist dat de waarde jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld op basis van gerealiseerde verkoopprijzen van vergelijkbare woningen rond de waardepeildatum, zonder rekening te houden met eerdere waarderingen.
Verweerder heeft een waardematrix overgelegd waarin de waarde van de woning is bepaald op €450.000, gebaseerd op verkoopcijfers van vergelijkingsobjecten die qua inhoud, kaveloppervlakte en kwaliteit voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank acht deze methode betrouwbaar en stelt vast dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Hoewel eiser een lagere waardering vordert, wijst de rechtbank erop dat algemene stijgingspercentages niet relevant zijn voor de waardebepaling. Verweerder heeft bovendien een hoger regionaal stijgingspercentage van bijna 13% op jaarbasis aangevoerd, wat het door eiser genoemde percentage minder onwaarschijnlijk maakt.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting terecht zijn vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Tevens is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.