ECLI:NL:RBDHA:2019:9616
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing visum kort verblijf wegens schending hoorplicht
Eiser vroeg een visum kort verblijf aan om bij een referente in Nederland te verblijven. Verweerder weigerde de aanvraag omdat eiser onvoldoende aannemelijk zou hebben gemaakt dat hij een duurzame relatie met de referente heeft, het doel van zijn verblijf en zijn binding met Gambia onvoldoende zou zijn onderbouwd, en zijn voornemen Nederland tijdig te verlaten niet gewaarborgd zou zijn.
Verweerder heeft deze bezwaren pas in het bestreden besluit concreet gemaakt, waardoor eiser niet tijdig de kans kreeg om hierop te reageren. De rechtbank oordeelt dat eiser al bij de aanvraag en in bezwaar voldoende inzicht had gegeven in zijn relatie, het doel van het verblijf en zijn sociale en economische situatie, zodat verweerder hem had moeten horen.
De rechtbank stelt dat de twijfels van verweerder onvoldoende zijn onderbouwd en dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was. Daarom is de hoorplicht geschonden en wordt het bestreden besluit vernietigd. Verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van het visum wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht.