ECLI:NL:RBDHA:2019:9870

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juni 2019
Publicatiedatum
19 september 2019
Zaaknummer
AWB 18/6411
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens alsnog verstrekken mvv voor nareis

Verzoekster had beroep ingesteld tegen een besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid inzake een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis. Na een tussenuitspraak heeft verweerder alsnog de aanvraag ingewilligd bij besluit van 6 mei 2019. Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank constateert dat verweerder aan verzoekster is tegemoetgekomen door de aanvraag alsnog te honoreren, waardoor het beroep is ingetrokken. Verzoekster heeft echter wel proceskosten gemaakt in verband met de behandeling van het beroep.

Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de proceskosten vast op €1.024,-, bestaande uit twee punten voor rechtsbijstand. Tevens wijst de rechtbank erop dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van €170,- dient te vergoeden conform artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten aan verzoekster en wijst op de mogelijkheid van verzet tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot vergoeding van €1.024,- aan proceskosten en wijst op vergoeding van het griffierecht van €170,-.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/6411
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2019 als bedoeld in artikel 8:75a in verbinding met artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[naam verzoekster] , verzoekster,

gemachtigde: mr. H.E. Visscher,
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Voor een weergave van het procesverloop tot 18 april 2019 verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van die datum.
Bij besluit van 6 mei 2019 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster alsnog ingewilligd.
Bij brief van 22 mei 2019 heeft verzoekster het beroep ingetrokken en de rechtbank op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de proceskosten van het beroep.
Verweerder is bij brief van 23 mei 2019 in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na verzending van die brief te reageren. Van die gelegenheid heeft verweerder geen gebruik gemaakt.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan verzoekster is tegemoetgekomen, dat verzoekster om die reden het beroep heeft ingetrokken en dat zij proceskosten heeft gemaakt. Het verzoek is kennelijk gegrond.
2. De rechtbank veroordeelt verweerder in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).
3. De rechtbank wijst er ten slotte op dat verweerder gelet op artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het door verzoekster betaalde griffierecht van € 170,- aan haar dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.024,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 28 juni 2019.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.