ECLI:NL:RBDHA:2020:1003
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Boete voor niet-tijdig melden beëindiging relatie met vreemdeling bevestigd
Eiser kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens het niet binnen vier weken melden van de beëindiging van zijn relatie met een vreemdeling, zoals voorgeschreven in het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Verweerder legde een boete van €750 op, na een eerdere voornemen tot een boete van €1.500, vanwege een verminderde mate van verwijtbaarheid.
Eiser betwistte de boete en voerde aan dat er geen wettelijke grondslag was voor de boeteoplegging en dat hij tijdig melding had gedaan bij het loket in Rijswijk, ondanks een verhuizing aldaar. De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk een wettelijke grondslag was en dat eiser ten tijde van het incident als referent onderworpen was aan de informatieplicht. De verhuizing van het loket vond pas na de uiterste meldingsdatum plaats, waardoor de stelling van eiser niet aannemelijk was.
De rechtbank stelde vast dat verweerder een consistent handhavingsbeleid voert en dat er geen sprake is van een bestendige bestuurspraktijk die handhaving uitsluit. De boete werd niet gematigd omdat het opgelegde bedrag in lijn is met het geldende beleid. Het beroep werd ongegrond verklaard en de boete bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete van €750 wegens niet-tijdige melding van de relatiebeëindiging is ongegrond verklaard.