Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling van het geschil
Kamerstukken II1996/97, 24 112, nr. 10, p. 6-7) vermeldt met betrekking tot artikel 180 lid 7 WVW Pro, voor zover hier relevant, het volgende:
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser is veroordeeld tot een rijontzegging van twaalf maanden die begon op 17 april 2007. Tijdens zijn detentie sinds 2008 resteerden nog 65 dagen rijontzegging. Eiser nam deel aan een penitentiair programma vanaf 6 februari 2020 en stelde dat daarmee zijn vrijheid niet meer rechtens was ontnomen, zodat de resterende ontzeggingstermijn was verstreken.
De Staat stelde dat de verlenging van de rijontzegging doorloopt tot de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling, in dit geval 2 februari 2021, plus twee dagen vervangende hechtenis. De rechtbank onderzocht de wetsgeschiedenis van artikel 180 lid 7 Wegenverkeerswet Pro en concludeerde dat de verlenging bedoeld is tot het moment van voorwaardelijke invrijheidstelling, waarbij verlof en penitentiaire programma's onder deze verlenging vallen.
De rechtbank oordeelde dat het feit dat eiser tijdens het penitentiair programma feitelijk vrijheden geniet, niet betekent dat de verlenging stopt. Een beoordeling per geval zou leiden tot rechtsonzekerheid, wat de wetgever heeft willen voorkomen. Ook de subsidiaire vordering tot staken van de ontzegging wegens gebrek aan penologisch doel werd afgewezen, omdat dit slechts in een gratieprocedure aan de orde kan komen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot teruggave van het rijbewijs en het staken van de resterende rijontzegging wordt afgewezen.