ECLI:NL:RBDHA:2020:10083
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- J. Schuman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen buiten behandeling stellen verblijfsaanvraag op grond van artikel 8 EVRM
Verzoekster, een Iraakse vrouw, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM Pro. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid buiten behandeling gesteld omdat verzoekster niet in persoon was verschenen, de aanvraag onvolledig was en het griffierecht niet was betaald. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter overwoog dat verzoekster geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om de aanvraag aan te vullen en niet was verschenen op afspraken om de aanvraag persoonlijk in te dienen. Ook was het verzoek om een afspraak te verzetten wegens gezondheidsredenen onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had en dat geen aanleiding bestond voor een voorlopige voorziening.
Het verzoek om de voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak werd niet openbaar uitgesproken vanwege coronamaatregelen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het buiten behandeling stellen van de verblijfsaanvraag wordt afgewezen.