ECLI:NL:RBDHA:2020:10113
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het niet omzetten van tijdelijke aanstelling in vaste aanstelling bij politie
Eiseres was vanaf 1 maart 2016 tot en met 31 december 2019 bij de politie in tijdelijke dienst met meerdere verlengingen. Zij stelde dat zij recht had op een vaste aanstelling na vijf verlengingen en meer dan drie jaar dienst, mede op grond van toezeggingen van haar leidinggevende. Verweerder heeft het bezwaar tegen het beëindigen van haar tijdelijke aanstelling ongegrond verklaard en aangevoerd dat er geen passende vaste functie beschikbaar was, mede door een doorontwikkeling van de backoffice en haar langdurig ziekteverzuim.
De rechtbank overwoog dat eiseres ten tijde van het besluit een tijdelijke aanstelling had die rechtsgeldig eindigde per 31 december 2019. De motivering van verweerder over de tijdelijkheid en het ontbreken van een vaste functie was voldoende. Het beroep op artikel 2a, derde lid, van het Barp faalde omdat dit artikel niet van toepassing was op de situatie van eiseres. Ook de gewijzigde wetgeving per 1 januari 2020 was niet van toepassing vanwege het ontbreken van terugwerkende kracht.
Met betrekking tot het vertrouwensbeginsel oordeelde de rechtbank dat de toezeggingen van de leidinggevende niet konden worden toegerekend aan het bevoegde bestuursorgaan en dat er geen concreet en ondubbelzinnig besluit was genomen. De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagde. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de tijdelijke aanstelling niet om te zetten in een vaste aanstelling wordt ongegrond verklaard.