ECLI:NL:RBDHA:2020:10117
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep militair invaliditeitspensioen en vergoeding overschrijding redelijke termijn
Eiser, voormalig militair, diende op 13 januari 2016 een aanvraag in voor een militair invaliditeitspensioen, welke aanvankelijk werd afgewezen. Na bezwaar werd een gedeeltelijke toekenning gedaan voor de periode van 13 januari 2016 tot 18 mei 2018 met een invaliditeitspercentage van 11%. Eiser stelde beroep in tegen het bestreden besluit en vorderde tevens schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de invaliditeitspercentages adequaat waren vastgesteld. De door eiser aangevoerde aanvullende medische gegevens en bezwaren werden niet voldoende onderbouwd bevonden om het besluit te wijzigen. Tevens werd geoordeeld dat geen oorzakelijk dienstverband bestond voor de middelenafhankelijkheid van eiser.
Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn stelde de rechtbank vast dat de bezwaarprocedure met 16 maanden en de beroepsprocedure met bijna 2 maanden waren overschreden. Hierbij werd rekening gehouden met vertragingen die voor rekening van eiser kwamen. De totale overschrijding van 18 maanden leidde tot een schadevergoeding van €1.500,-, waarvan verweerder en de Staat respectievelijk €1.333,33 en €166,67 moesten betalen.
De rechtbank wees het beroep af, veroordeelde verweerder en de Staat tot betaling van de schadevergoeding en stelde de proceskosten vast, waarbij verweerder en de Staat elk de helft van de proceskosten moesten dragen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot toekenning van een militair invaliditeitspensioen wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.