ECLI:NL:RBDHA:2020:10146

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 september 2020
Publicatiedatum
9 oktober 2020
Zaaknummer
C/09/596060 / KG RK 20-897
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in geschil over agentuurovereenkomst

PHC Telecom B.V. verzocht om wraking van rechter J.L.M. Luiten in een civiele procedure over de afwikkeling van een agentuurovereenkomst met een belanghebbende. Kern van het geschil was of een e-mail van de belanghebbende als bijlage B bij de overeenkomst moest worden beschouwd.

Verzoeker stelde dat de rechter tijdens het pleidooi herhaaldelijk onderbrak met opmerkingen en oordelen, en niet met kritische vragen, waardoor vooringenomenheid zou bestaan. De rechter gaf aan dat het ging om kritische vragen tijdens een inlichtingencomparitie, bedoeld om reacties uit te lokken en niet om eindoordelen te vellen.

De wrakingskamer oordeelde dat kritische vragen en opmerkingen tijdens een inlichtingencomparitie gebruikelijk zijn en niet als vooringenomenheid mogen worden gezien. Uit het proces-verbaal bleek dat de onderbrekingen bedoeld waren als uitnodiging tot reactie. De rechter ontkende eindoordelen te hebben gegeven.

Daarom concludeerde de wrakingskamer dat er geen objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid bestond en wees het wrakingsverzoek af. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij indiening van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2020/38
zaak- /rekestnummer: C/09/596060 / KG RK 20/897
Beslissing van 7 september 2020
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
PHC Telecom B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat mr. J.M. Pals,
strekkende tot de wraking van
mr. J.L.M. Luiten,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Belanghebbende in deze procedure is:
[belanghebbende B.V.] , advocaat: mr. J.L. Pit

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 1 juli 2020 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 14 augustus 2020;
- de brief van mr. Pals met opmerkingen over het proces-verbaal van 20 augustus 2020.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- de raadsman van verzoeker;
- de rechter;
- de belanghebbende met zijn raadsman.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 7639740 RL EXPL 19-7115 tussen verzoeker en de belanghebbende.
Het geschil betreft een afwikkeling van een agentuurovereenkomst. Belanghebbende heeft bij het aangaan van deze overeenkomst aangegeven dat hij een uitzondering op het klantbeding wilde, in die zin dat hij zijn eerdere klanten kon blijven bedienen na het beëindigen van de agentuurovereenkomst. Verzoeker heeft belanghebbende de mogelijkheid gegeven een lijst van eigen klanten te maken die als bijlage B aan de overeenkomst zou worden gehecht, als verzoeker met die lijst kon instemmen. De kernvraag in het geschil is, voor zover voor het wrakingsverzoek relevant, of een e-mail van belanghebbende, die enkele weken na de ondertekening van de agentuurovereenkomst naar directeur [directeur] van verzoeker is gestuurd, beschouwd moet worden als bijlage B.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van de behandeling ter zitting het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De raadsman van verzoeker is tijdens het voordragen van zijn pleitnotitie gedurende de zitting meermalen onderbroken door de rechter. Naar de beleving van verzoeker was er op die momenten geen sprake van kritische vragen van de rechter, maar van opmerkingen en oordelen. Uit de opmerkingen van de rechter bleek naar het gevoel van verzoeker dat het voor de rechter al vaststond dat de e-mail van belanghebbende te kwalificeren was als een klantenlijst en dat directeur [directeur] dit ook zo had moeten begrijpen, namelijk bedoeld als bijlage B. In de opmerkingen van de rechter lagen volgens verzoeker reeds oordelen besloten over de kernvraag van het geschil tussen partijen, namelijk is er iets wat kan gelden als bijlage B. Om die reden heeft verzoeker de rechter gewraakt.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. De rechter heeft aangegeven dat het een inlichtingencomparitie betrof en het gebruikelijk is om op dergelijke zittingen (kritische) vragen te stellen. De rechter heeft de raadsman van verzoeker inderdaad een aantal keren onderbroken om een (kritische) vraag te stellen als hij het pleidooi van de raadsman niet kon volgen. Volgens de rechter was dit telkens duidelijk ingestoken als vraag, omdat het zijn bedoeling was om daar een reactie op te krijgen en die reactie heeft hij ook telkens gekregen. Het was overigens niet steeds dezelfde vraag maar het waren opvolgende vragen. De rechter heeft benadrukt dat het niet ging om (eind)oordelen, maar om kritische vragen.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
3.2.
De klachten van verzoeker betreffen de manier waarop de raadsman tijdens zijn pleidooi door de rechter is onderbroken. Deze onderbrekingen waren naar de beleving van verzoeker aan te merken als opmerkingen en oordelen en niet als (kritische) vragen. De wrakingskamer stelt voorop dat het tijdens een inlichtingencomparitie heel gebruikelijk is om kritische vragen te stellen of kritische opmerkingen te maken, teneinde inlichtingen te verkrijgen. Als er kritische opmerkingen worden gemaakt of vragen worden gesteld door een rechter, betekent dit (zeker in het kader van een inlichtingencomparitie) niet dat dit eindoordelen zijn. Gelet op het feit dat de comparitie nog niet ten einde was, mocht verzoeker er in beginsel dan ook niet vanuit gaan dat deze opmerkingen waren bedoeld als (eind)oordelen. Dat er desalniettemin sprake zou zijn geweest van eindoordelen, is de wrakingskamer ook overigens niet gebleken. Uit het proces-verbaal van de zitting, zelfs als wordt uitgegaan van de door de raadsman van verzoeker geredigeerde versie van 20 augustus 2020, blijkt voldoende duidelijk dat de onderbrekingen van de rechter bedoeld waren als (kritische) vragen of opmerkingen, waarbij werd uitgenodigd tot een reactie. De wrakingskamer wijst op hetgeen de rechter antwoordde op de opmerking van mr Pals namens verzoeker dat hij (wederom) een mening hoorde en zich afvroeg of hij zijn verhaal wel moest afmaken. De rechter antwoordde dat dit (de wrakingskamer begrijpt: meningen) niet het geval was en hij slechts zaken voorhield. Daarmee was duidelijk dat de rechter een reactie uitlokte en geen oordeel gaf. De rechter heeft na de wraking maar nog op de comparitie ook met zoveel woorden gezegd dat hij niet bedoeld heeft (eind)oordelen te geven. De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden geven naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook geen blijk van vooringenomenheid dan wel van de objectieve schijn van vooringenomenheid. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de belanghebbende;
• de rechter;
Deze beslissing is gegeven door de mrs. E.F. Brinkman, M.C. Ritsema van Eck – van Drempt en M.P.M. Loos in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Haalem en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2020.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.