ECLI:NL:RBDHA:2020:10167
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot voortzetting crisismaatregel op grond van Wvggz wegens ontbreken onmiddellijk dreigend ernstig nadeel
De officier van justitie verzocht op 1 oktober 2020 de rechtbank Den Haag om voortzetting van een crisismaatregel die op 30 september 2020 was opgelegd aan betrokkene, een man met een psychiatrische voorgeschiedenis van schizofrenie en een persoonlijkheidsstoornis. Betrokkene vertoonde weinig ziekte-inzicht en gebruikte geen medicatie, hetgeen volgens de psychiater het risico op recidive verhoogde.
Tijdens de mondelinge behandeling op 5 oktober 2020, die telefonisch plaatsvond vanwege COVID-19 maatregelen, werd vastgesteld dat betrokkene sinds bijna een week rustig en meewerkend was in zijn verblijfplaats, zonder incidenten. De psychiater gaf aan dat het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, dat aanvankelijk aanleiding gaf tot de crisismaatregel, op dat moment niet meer aanwezig was.
De advocaat van betrokkene benadrukte het ontbreken van ziekte-inzicht en het wantrouwen van betrokkene jegens het systeem, maar voerde tevens aan dat voortzetting van de maatregel niet gerechtvaardigd was vanwege het ontbreken van het vereiste ernstig nadeel.
De rechtbank concludeerde dat hoewel de vermoedelijke psychotische stoornis nog aanwezig is, de situatie niet meer zodanig ernstig en dreigend is dat voortzetting van de crisismaatregel gerechtvaardigd is. Daarom werd het verzoek afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel wordt afgewezen wegens het ontbreken van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel.