De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van bedreiging door zichzelf in brand te steken in maart 2018 en van mishandeling van zijn levensgezel in de periode 2012-2013.
Uit het dossier bleek dat verdachte zichzelf met een brandbare vloeistof overgoot en in brand stak, maar de rechtbank vond onvoldoende bewijs dat dit een bedreiging van de aangeefster inhield. Twee getuigen bevestigden het incident, maar er was geen aanwijzing dat verdachte opzet had om de aangeefster te bedreigen. Daarom werd verdachte vrijgesproken van deze bedreiging.
De mishandeling van de levensgezel werd door verdachte bekend en bewezen verklaard. Het betrof meerdere mishandelingen met een eetkamerstoel, keelgrepen en kopstoten, die letsel en pijn veroorzaakten. De rechtbank achtte verdachte strafbaar, maar legde geen straf of maatregel op vanwege het lange tijdsverloop, het ontbreken van eerdere veroordelingen en de overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank concludeerde dat de mishandelingen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit en het veiligheidsgevoel van de aangeefster vormden, maar dat toepassing van artikel 9a Sr passend was. De verdachte werd vrijgesproken van de bedreiging en schuldig verklaard aan de mishandeling zonder strafoplegging.