Verzoekster was sinds 2006 in dienst en viel in 2017 langdurig uit wegens ziekte. Na overgang van onderneming trad zij in dienst bij CSU, waar zij na 104 weken arbeidsongeschiktheid een WIA-uitkering kreeg. Zij verzocht beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden en toekenning van een transitievergoeding berekend over de gehele duur van het dienstverband tot mei 2020. CSU berekende de vergoeding tot de datum van 104 weken arbeidsongeschiktheid in september 2019.
De kantonrechter volgt de jurisprudentie van de Hoge Raad (Xella-arrest) dat de transitievergoeding niet meer hoeft te bedragen dan het bedrag berekend op de dag na 104 weken arbeidsongeschiktheid. De vordering van verzoekster om vergoeding over de gehele duur wordt afgewezen. Ook de vordering wegens niet in acht nemen van de opzegtermijn wordt afgewezen, omdat verzoekster zelf het initiatief nam tot beëindiging en er geen loondoorbetalingsplicht meer bestond.
Wel wordt toegekend een bedrag van €2.327,71 bruto aan transitievergoeding, een bedrag van €139,23 bruto voor niet genoten vakantiedagen, en €447,75 aan buitengerechtelijke incassokosten. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.