ECLI:NL:RBDHA:2020:10347
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering onmiddellijke invrijheidstelling na herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling
Eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 jaar wegens doodslag, met bijkomende straffen die in totaal meer dan 5.000 dagen gevangenisstraf omvatten. Hij was voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder elektronisch toezicht voor een periode van 120 dagen, maar deze voorwaardelijke invrijheidstelling is herroepen door de strafrechter.
Eiser vordert in kort geding onmiddellijke invrijheidstelling omdat hij meent dat de 120 dagen voorwaardelijke invrijheidstelling ten onrechte niet zijn meegeteld bij de berekening van zijn strafuitvoering. De Staat betwist dit en stelt dat de strafrechter de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft herroepen, waardoor de volledige straf alsnog moet worden uitgezeten.
De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser aansluitend aan de hoofdstraf nog andere straffen moet ondergaan, waardoor onmiddellijke invrijheidstelling niet mogelijk is. Tevens is de civiele rechter niet bevoegd om te oordelen over de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling; daarvoor moet eiser zich wenden tot de strafrechtelijke executierechter.
Daarom wordt de vordering afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling wordt afgewezen omdat eiser nog andere straffen moet ondergaan en de civiele rechter niet bevoegd is over de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling te oordelen.