ECLI:NL:RBDHA:2020:10451
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen uitspraak inzake overschrijding redelijke termijn bij BPM-belastingzaak
Opposant maakte bezwaar tegen de op aangifte voldane Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) en stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Opposant deed verzet tegen deze uitspraak en voerde onder meer aan dat hij recht had op een mondelinge behandeling en dat de toepassing van artikel 8:54 Awb Pro in strijd was met het Unierecht.
De rechtbank oordeelde dat het beroep terecht zonder zitting kon worden afgedaan omdat de gronden van opposant niet voldoende waren gemotiveerd en dat het recht op hoor en wederhoor niet was geschonden. Het verzet werd ongegrond verklaard. Wel werd vastgesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn met enkele maanden was toegenomen, waardoor een aanvullende immateriële schadevergoeding van € 500 aan opposant werd toegekend, te betalen door de Staat.
Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 262,50, waarbij een wegingsfactor werd toegepast vanwege de beperkte omvang van de toekenning. De rechtbank wees erop dat wettelijke rente verschuldigd is vanaf vier weken na openbaarmaking van de uitspraak tot aan de dag van volledige voldoening.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de Staat wordt veroordeeld tot een aanvullende schadevergoeding van € 500 en proceskostenvergoeding van € 262,50 wegens overschrijding van de redelijke termijn.