ECLI:NL:RBDHA:2020:10513

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 oktober 2020
Publicatiedatum
21 oktober 2020
Zaaknummer
AWB 19.7293 en 19.7294 VK
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.B. Kleiss
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8 EVRMArt. 29 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis wegens onvoldoende motivering redelijke termijn

Eisers, Syrische familieleden van een referent die een verblijfsvergunning asiel heeft verkregen, dienden meerdere aanvragen in voor gezinshereniging. Eerdere aanvragen werden afgewezen omdat de referent toen nog minderjarig was of omdat de aanvragen niet binnen de wettelijke termijn werden ingediend. Na het arrest A. en S. van het Hof van Justitie van de EU, waarin werd bepaald dat een minderjarige vreemdeling die meerderjarig wordt tijdens de procedure als minderjarig moet worden aangemerkt voor nareis, dienden eisers een nieuwe aanvraag in.

Verweerder wees deze aanvragen af met het argument dat er geen nieuwe feiten waren en dat de aanvragen buiten de driemaandentermijn waren ingediend. Ook voerde verweerder aan dat het gezinsleven tussen broer en zus en de referent niet beschermingswaardig was. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aanvragen niet binnen een redelijke termijn zijn ingediend, mede gezien de bijzondere omstandigheden en het wachten op het arrest van het Hof.

De rechtbank verklaart de beroepen gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en draagt verweerder op binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de machtigingen tot voorlopig verblijf en draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 19/7293
AWB 19/7294

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaken tussen

[eiser 1] ,

geboren op [geboortedatum eiser 1] , van Syrische nationaliteit, eiser 1,
V-nummer: [V-nummer eiser 1] ,

[eiseres 1] ,

geboren op [geboortedatum eiseres 1] , van Syrische nationaliteit, eiseres 1,
V-nummer: [V-nummer eiseres 1] ,

[eiseres 2] ,

geboren op [geboortedatum eiseres 2] , van Syrische nationaliteit, eiseres 2
V-nummer: [V-nummer eiseres 2] ,

[eiser 2] ,

geboren op [geboortedatum eiser 2] , van Syrische nationaliteit, eiser 2
V-nummer: [V-nummer eiser 2] ,
hierna gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: [naam] ),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2018 (primair besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiser 1 en eiseres 1 om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 8 oktober 2018 (primair besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiseres 2 en eiser 2 om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. De daartegen gemaakte bezwaren zijn bij besluiten van 29 augustus 2019 (bestreden besluiten I en II) ongegrond verklaard.
Op 25 september 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eisers ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft digitaal plaatsgevonden op 28 juli 2020 met behulp van een video- en audioverbinding. Eisers zijn bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [naam] , tolk in de Syrisch-Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden
1. Eisers hebben aanvragen ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor gezinshereniging met referent, hun zoon respectievelijk broer. Referent heeft als minderjarige op 10 november 2015 een asielaanvraag ingediend. Op 19 juli 2016 heeft referent, hij was toen meerderjarig, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verkregen. Eisers hebben eerdere aanvragen om gezinshereniging ingediend op 16 december 2015 en op 12 augustus 2016. De eerste aanvraag is afgewezen, omdat referent toen nog geen verblijfsvergunning had. De tweede aanvraag is afgewezen, omdat referent niet langer minderjarig was (artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000). Dit besluit is in rechte vast komen te staan, omdat eisers hiertegen geen rechtsmiddel hebben ingesteld. Naar aanleiding van de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) op 12 april 2018 in de zaak A. en S. tegen Nederland, [1] hebben eisers de huidige aanvraag ingediend op 22 mei 2018.
Standpunt van verweerder
2.1.
Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat zich ten opzichte van de afwijzing van 14 oktober 2016 geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan (artikel 4:6 van Pro de Awb). Referent is bij die aanvraag aangemerkt als meerderjarige en dit besluit is in rechte vast komen te staan, omdat eisers geen bezwaar hebben ingediend.
2.2.
Verweerder heeft voorts aangevoerd dat eisers te ver buiten de driemaandentermijn na inwilliging van de asielaanvraag van referent de onderhavige gezinsherenigingsaanvraag hebben ingediend, te weten na bijna twee jaar. Daarom komen ze überhaupt niet in aanmerking voor de voorwaarden zoals gesteld door het Hof in de zaak A. en S., waarbij referent nog als minderjarige wordt beschouwd.
2.3.
Verweerder stelt ten aanzien van het beroep van broer en zus op beschermingswaardig familie- of gezinsleven (artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tussen hen en referent dat de belangenafweging in hun nadeel uitvalt. Het belang van de kinderen is gediend bij samenleving met de ouders. Nu de aanvraag van de ouders is afgewezen, is het niet in het belang van broer en zus om voor hen wel nareis toe te staan.
Standpunt eisers
3. Eisers betogen met een beroep op het arrest A. en S. dat referent, omdat hij minderjarig was toen hij zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indiende, hij in de procedure om gezinshereniging nog steeds als minderjarige moet worden aangemerkt. Zij betogen voorts, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2019, dat hoewel de aanvragen weliswaar niet binnen drie maanden na verlening van de verblijfsvergunning aan referent zijn gedaan, de aanvragen, gelet op de individuele omstandigheden van eisers, wel binnen een redelijke termijn zijn ingediend.
Juridisch kader
4. Uit het arrest A. en S. volgt dat een vreemdeling die minderjarig was op het moment dat hij een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indiende, maar die hangende de procedure op die aanvraag meerderjarig wordt, als minderjarig moet worden aangemerkt tijdens de behandeling van zijn verzoek om gezinshereniging. Hiervoor is vereist dat hij dit verzoek binnen een redelijke termijn na verlening van zijn verblijfsvergunning indient. Het Hof stelt die redelijke termijn in beginsel op drie maanden (punt 61). Dit arrest heeft geleid tot een wijziging van beleid in paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Oordeel van de rechtbank
5. Uit het arrest A. en S. volgt dus dat de driemaandentermijn een uitgangspunt is, zodat de lidstaten ook de ruimte hebben om buiten die termijn een meerderjarig geworden vreemdeling als minderjarig aan te merken ten behoeve van een verzoek om gezinshereniging in het kader van nareis. Eisers hebben hun tweede aanvraag ingediend binnen drie maanden na verlening van de verblijfsvergunning van referent. Op grond van de toen geldende rechtspraak is referent niet als minderjarig aangemerkt. Hierna heeft het Hof het arrest A. en S. gewezen en is het van toepassing zijnde beleid gewijzigd. Eisers hebben al vanaf 16 december 2015 meermaals te kennen gegeven gebruik te willen maken van het recht op gezinshereniging. Onder deze omstandigheden moet de staatssecretaris motiveren waarom hij van oordeel is dat deze aanvragen niet zijn ingediend binnen een redelijke termijn. [2]
6. De rechtbank ziet zich daarom in de eerste plaats voor de vraag gesteld of verweerder voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat de voorliggende aanvragen niet binnen een redelijke termijn zijn ingediend. Verweerder heeft hiervoor in het verweerschrift en op zitting de volgende motivering gegeven. Eisers hebben geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 oktober 2016, terwijl de procedure bij het Hof pas op 26 oktober 2016 is gestart. Ze hebben vervolgens nog anderhalf jaar gewacht voor ze de huidige aanvragen hebben gedaan. Verder wordt eisers tegengeworpen dat zij afhankelijk zijn van referent in plaats van andersom. Dat is in strijd met de bedoeling van de Gezinsherenigingsrichtlijn die uitgaat van afhankelijkheid van het kind.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de aanvragen van eisers niet binnen een redelijke termijn zijn ingediend. Eisers hebben vanaf 16 december 2015 meermaals te kennen gegeven dat zij gebruik willen maken van het recht op gezinshereniging. De procedure bij het Hof is gestart op 26 oktober 2016, vlak na de beslissing op de tweede aanvraag van eisers, die dateert van 14 oktober 2016. De procedure bij het Hof duurde tot 12 april 2018. De huidige aanvraag werd ingediend op 22 mei 2018. Anders dan verweerder ziet de rechtbank niet in hoe het indienen van een aanvraag hangende de prejudiciële vragen van eisers kon worden verwacht. Dat zij dit niet hebben gedaan, kan eisers in het kader van de vraag of zij hun aanvraag binnen een redelijke termijn hebben ingediend dan ook niet worden tegengeworpen. Zij hadden immers al een aanvraag gedaan op 12 augustus 2016 en op basis van het toen geldende recht een afwijzing gekregen. Dat zij daarom de procedure bij het Hof hebben afgewacht, is niet onbegrijpelijk. Na het arrest van het Hof hebben zij vervolgens voortvarend een nieuwe aanvraag ingediend. Evenmin kan eisers worden tegengeworpen dat gezinshereniging in dit geval in strijd zou zijn met het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn omdat referent de zorg voor zijn ouders heeft en niet andersom. Dat is geen omstandigheid die bij de beoordeling van de vraag of de aanvraag binnen een redelijke termijn is ingediend een rol speelt. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
8. De rechtbank verklaart het beroep met zaaknummer AWB 19/7293 gegrond en vernietigt bestreden besluit I. Omdat de motivering van bestreden besluit II mede berust de motivering op bestreden besluit I, kan bestreden besluit II ook niet in stand blijven. De rechtbank verklaart het beroep met zaaknummer AWB 19/7294 ook gegrond en vernietigt ook bestreden besluit II. Verweerder dient opnieuw op de bezwaren van eisers te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
9. De rechtbank ziet, gelet op de gegrondverklaring van de beroepen, aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers redelijkerwijs gemaakte proceskosten, die zijn begroot op € 1.050,- op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 525,- per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers in verband met het beroep tot een bedrag van € 1.050,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse‑Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Conc.: GJT
D:
VK

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Voetnoten

1.Zie ECLI:EU:C:2018:248.