ECLI:NL:RBDHA:2020:10526
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep en verzoek voorlopige voorziening inzake ontruiming zonder huisvestingsvergunning
Eiser woonde sinds 2014 in een sociale huurwoning bij zijn moeder, die in mei 2019 overleed. Eiser stond niet ingeschreven op het adres en beschikte niet over een huisvestingsvergunning. Verweerder legde een last onder bestuursdwang op tot ontruiming binnen acht weken, en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond. Eiser stelde dat verweerder ten onrechte geen hardheidsclausule toepaste vanwege zijn ernstige reuma en medische beperkingen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat geen aanleiding bestond tot toepassing van de hardheidsclausule. Verweerder had rekening gehouden met de medische situatie van eiser en voldoende begunstigingstermijnen gegund om vervangende woonruimte te vinden. De omstandigheid dat eiser hoog op de wachtlijst staat, rechtvaardigde geen verlenging van deze termijnen.
Verder was het voor eiser duidelijk dat hij de woning moest verlaten en dat hij tijdig juridische bijstand had kunnen zoeken. De voorzieningenrechter vond geen bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot ontruiming wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.