De rechtbank Den Haag heeft een 25-jarige man vrijgesproken van ontucht gepleegd in 2017 jegens een 18-jarige vrouw. De rechtbank oordeelde dat het niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat de verdachte wist dat het slachtoffer niet wilde dat hij seksuele handelingen bij haar verrichtte. Dit oordeel is mede gebaseerd op psychiatrisch onderzoek waaruit bleek dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is door onder meer zwakbegaafdheid en een autismespectrumstoornis.
Daarnaast werd een subsidiaire tenlastelegging betreffende ontucht gepleegd bij bewusteloosheid of verminderd bewustzijn van het slachtoffer eveneens verworpen, omdat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte wist van de wilsonbekwaamheid van het slachtoffer. De rechtbank achtte de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar, maar concludeerde dat de verdachte vanuit zijn beperkte cognitieve vermogens niet kon begrijpen dat de handelingen niet gewenst waren.
Ten aanzien van een oudere zaak over computervredebreuk, die voorwaardelijk geseponeerd was met een proeftijd, oordeelde de rechtbank dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was in de vervolging omdat de verdachte zich tijdens de proeftijd niet schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit. Hierdoor was het recht op vervolging komen te vervallen.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van de ontucht en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de computervredebreukzaak. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige strafkamer op 22 oktober 2020.