ECLI:NL:RBDHA:2020:10543
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat op basis van de Dublinverordening (EU) nr. 604/2013 was vastgesteld dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had een verzoek tot terugname gedaan dat door Frankrijk was aanvaard.
Eiser stelde dat hij in Frankrijk geen rechten meer had en dat de corona-maatregelen hem belemmerden om een zienswijze in te dienen. De rechtbank overwoog dat verweerder het verzoek om uitstel voor het indienen van een zienswijze had toegekend tot 13 mei 2020, waarmee rekening was gehouden met de coronamaatregelen. Er was geen aannemelijk bewijs dat eiser onvoldoende contact had met zijn gemachtigde.
Verder stelde eiser dat hij in Frankrijk was uitgeprocedeerd en nergens meer recht op had, maar de rechtbank vond dat eiser tijdens de Franse procedure financiële middelen had ontvangen om zelf opvang te regelen. Er waren geen aanwijzingen dat Frankrijk niet aan zijn internationale verplichtingen zou voldoen of dat er sprake was van individuele omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen.
De rechtbank concludeerde dat de Staatssecretaris terecht geen inhoudelijke beoordeling van het asielverzoek heeft gedaan en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.