ECLI:NL:RBDHA:2020:1064
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke vernietiging weigering visum kort verblijf voor familiebezoek wegens zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek
Eiseres, met de Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een visum voor kort verblijf om haar zus in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op grond van onvoldoende bewijs van het doel van het verblijf, onvoldoende middelen van bestaan en twijfel over het voornemen om Nederland tijdig te verlaten.
Eiseres maakte bezwaar tegen deze weigering, maar ook dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Tijdens de zitting bleek dat het verweerschrift laat was ingediend, maar de rechtbank liet dit toe omdat eiseres niet in haar belangen was geschaad. De rechtbank constateerde dat de minister niet voldoende had gemotiveerd waarom eiseres onvoldoende sociale en economische binding met Marokko zou hebben.
De rechtbank oordeelde dat de minister zijn zorgvuldigheidsplicht had geschonden door eiseres niet in de gelegenheid te stellen ontbrekende informatie aan te leveren. Ook was het motiveringsgebrek evident. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met een nadere onderbouwing van sociale en economische binding. Vergoeding van het griffierecht werd toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot weigering van het visum wordt vernietigd.