ECLI:NL:RBDHA:2020:10673

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 september 2020
Publicatiedatum
23 oktober 2020
Zaaknummer
NL20.4985
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 62 VwArt. 66a VwArt. 6.5a Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugkeerbesluit en inreisverbod van twee jaar tegen eiser

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende persoon geboren in 2001, kreeg bij besluit van 11 februari 2020 een terugkeerbesluit opgelegd met een inreisverbod van twee jaar door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser stelde dat het inreisverbod in strijd was met artikel 8 EVRM Pro vanwege familiebanden in Frankrijk en betwistte de motivering van de duur van het inreisverbod.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij een familieleven uitoefent met zijn broer en verloofde in Frankrijk zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. Tevens was onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie met zijn broer. Verweerder had de motivering van het inreisverbod voldoende toegelicht en hoefde niet af te zien van het opleggen of de duur te verkorten.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter E.S.G. Jongeneel en griffier A. Nobel en kan binnen vier weken worden bestreden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod van twee jaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.4985

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2001 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder bepaald dat eiser de Europese Unie onmiddellijk dient te verlaten. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken als bedoeld in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Als gevolg van het terugkeerbesluit heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
3. Eiser betoogt dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Hij voert daartoe aan dat zijn broer en verloofde in Frankrijk wonen. Niet is gebleken dat zijn broer de financiële middelen heeft om hem in Algerije te bezoeken, aangezien zijn broer geen verblijfsstatus in Frankrijk en geen reisdocumenten heeft. Bovendien is onduidelijk welke nationaliteit de vriendin van eiser heeft. Zij zijn voornemens te trouwen en op grond daarvan rechtmatig verblijf te verkrijgen in Frankrijk.
Voorts betoogt eiser dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd. Nu eiser persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd, kon verweerder niet volstaan met een algemene motivering dat die omstandigheden geen reden zijn om af te zien van het opleggen van een inreisverbod, aldus eiser.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1
Eiser heeft niet betwist dat op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw aan hem een termijn voor vrijwillig vertrek kon worden onthouden. Verweerder heeft het inreisverbod van twee jaar op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb, als rechtstreeks gevolg van het terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser tijdens het gehoor op de vraag waarom geen inreisverbod zou moeten worden opgelegd geen bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht. Wel heeft verweerder omstandigheden die elders tijdens het gehoor naar voren zijn gekomen bij de beoordeling betrokken. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder met een algemene motivering heeft volstaan. Verweerder heeft zich voorts naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser op geen enkele manier heeft onderbouw dat hij met zijn gestelde verloofde en broer familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM uitoefent. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser niet heeft aangetoond dat tussen hem en zijn broer een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. De enkele stellingen van eiser zijn onvoldoende. Verweerder heeft dan ook niet van het opleggen van het inreisverbod hoeven afzien, dan wel de termijn van het inreisverbod hoeven verkorten.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.