ECLI:NL:RBDHA:2020:10682
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak wegens reeds gewezen uitspraak
Verzoeker, van Somalische nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had deze aanvraag niet in behandeling genomen, met de reden dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening samen met een gerelateerde zaak op 4 augustus 2020. Tijdens deze zitting was verzoeker aanwezig met zijn gemachtigde en werd gebruikgemaakt van een tolk. De verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De voorzieningenrechter stelde vast dat een voorlopige voorziening alleen mogelijk is indien de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak deed in de hoofdzaak (zaaknummer NL20.12291), was een voorlopige voorziening niet meer mogelijk. Daarom werd het verzoek afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Vanwege de coronamaatregelen vond de uitspraak niet in een openbare zitting plaats, maar zal deze indien nodig alsnog openbaar worden uitgesproken zodra dat mogelijk is. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank reeds uitspraak heeft gedaan op het beroep.