ECLI:NL:RBDHA:2020:10743
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak Marokkaanse verzoekster
Verzoekster, van Marokkaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 9 september 2020 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegen dit besluit stelde verzoekster beroep in en verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De behandeling van het verzoek vond plaats op 30 september 2020 via een Skype-verbinding, samen met een gerelateerde zaak. Beide partijen waren vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De voorzieningenrechter overwoog dat vanwege de uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL20.16706) een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 2 oktober 2020 in het openbaar uitgesproken en is niet vatbaar voor beroep.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.