ECLI:NL:RBDHA:2020:10760
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis wegens ontbrekend DNA-onderzoek
Eisers, beiden van Eritrese nationaliteit, hebben een aanvraag gedaan voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel nareis, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen omdat de identiteit van de moeder niet kon worden vastgesteld en geen toestemming voor vertrek kon worden bevestigd. Na bezwaar werd het bezwaar ongegrond verklaard, waarna eisers beroep instelden bij de rechtbank.
De rechtbank overwoog dat verweerder bewijsnood aannam en DNA-onderzoek aanbood om de familierechtelijke relatie aan te tonen, maar dat de moeder niet kon verschijnen vanwege haar zwangerschap en terugkeer naar Eritrea. Eisers hadden nagelaten verweerder tijdig te informeren over deze omstandigheden, waardoor het ontbreken van DNA-onderzoek voor hun rekening komt. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet gehouden was DNA-onderzoek op de Italiaanse ambassade in Eritrea te faciliteren.
Verder werd geoordeeld dat het beroep op artikel 4:84 Awb Pro onvoldoende was onderbouwd. De rechtbank stelde vast dat de hoorplicht in bezwaar was geschonden omdat verweerder het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond verklaarde en daardoor niet hoorde, maar dat eisers hierdoor niet zijn benadeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eisers vanwege de schending van de hoorplicht.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf nareis wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van griffierecht en proceskosten wegens schending hoorplicht.