ECLI:NL:RBDHA:2020:10804

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 oktober 2020
Publicatiedatum
28 oktober 2020
Zaaknummer
C/09/600337 / KG RK 20-1210
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens ontbreken feiten en omstandigheden

Auto Kraaiven Tilburg B.V. diende een wrakingsverzoek in tegen mr. M.A. Dirks, rechter bij de rechtbank Den Haag, in drie fiscale zaken tegen de inspecteur van de Belastingdienst. Het verzoek betrof vermeende schijn van partijdigheid en het bezwaar tegen de behandeling van een verzoek tot immateriële schadevergoeding binnen een verzetsprocedure.

Tijdens de mondelinge behandeling gaf de gemachtigde van verzoekster aan niet te willen toelichten waarom de rechter partijdig zou zijn. De rechter reageerde schriftelijk en mondeling dat het wrakingsverzoek vooral voortkwam uit onvrede over de procespraktijk, maar dat dit geen grond voor partijdigheid vormt.

De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek niet voldeed aan de wettelijke vereisten omdat geen concrete feiten of omstandigheden waren aangevoerd die de onpartijdigheid van de rechter zouden aantasten. Verzoekster verscheen niet op de wrakingszitting om nadere toelichting te geven. Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en werd de hoofdzaak voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van concrete feiten en omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter aantonen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2020/61
zaak- /rekestnummer: C/09/600337 / KG RK 20-1210
Beslissing van 26 oktober 2020
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:
Auto Kraaiven Tilburg B.V.,
gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen: verzoekster,
gemachtigde mr. [gemachtigde] te [woonplaats] ,
strekkende tot de wraking van:
mr. M.A. Dirks,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Belanghebbende in deze procedure is:
de inspecteur van de Belastingdienst.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de (telefonische) zitting van 29 september 2020 waarin het mondelinge wrakingsverzoek is vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 6 oktober 2020.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling is de rechter verschenen. Verzoekster, haar gemachtigde mr. [gemachtigde] en de belanghebbende zijn zonder bericht niet verschenen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaken met nummers SGR 20/342V, SGR 20/343V en SGR 20/344V tussen verzoekster en de inspecteur van de Belastingdienst.
2.2.
Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting, waarin het mondelinge wrakingsverzoek is gedaan, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Er is schijn van partijdigheid en een verzoek tot immateriële schadevergoeding hoort niet thuis in een verzetsprocedure. De gemachtigde van verzoekster heeft desgevraagd op de zitting gezegd dat hij liever voor zichzelf houdt waarom de rechter partijdig is.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3. De beoordeling
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
3.2.
In zijn schriftelijke reactie en in de mondelinge toelichting tijdens de wrakingszitting heeft de rechter uitgelegd dat hij uit het wrakingsverzoek afleidt dat het verzoek kennelijk is gelegen in het zich niet kunnen verenigen met een processuele praktijk binnen de sector bestuursrecht van de Haagse rechtbank. Namens verzoekster is aangegeven dat zij het er niet mee eens is dat de rechter het verzoek om schadevergoeding (ook) wilde behandelen tijdens de verzetsprocedure, waardoor één feitelijke instantie wegvalt. De rechter heeft uitgelegd dat de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding een nevenvordering is in deze procedure en in die zin meeloopt met de verzetsprocedure. Dit is een processuele consequentie van het fiscale procesrecht die niet kan leiden tot het oordeel dat de rechter jegens verzoekster vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
3.3.
De wrakingskamer stelt tegen deze achtergrond vast dat (de gemachtigde van) verzoekster weliswaar heeft aangegeven waarmee zij het oneens is, maar dat aan het verzoek tot wraking van de rechter verder geen feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. De wet schrijft voor dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aanleiding gaven tot het wrakingsverzoek bekend zijn geworden en dat deze tegelijk moeten worden voorgedragen. Het wrakingsverzoek voldoet niet aan deze voorschriften. Tijdens de zitting waarop het wrakingsverzoek is gedaan heeft (de gemachtigde van) verzoekster, ondanks dat daarnaar door de rechter expliciet is gevraagd, niet gesteld waarom de rechter partijdig zou zijn. Vervolgens is hij niet op de wrakingszitting verschenen om alsnog een toelichting te geven. Om die reden kan verzoekster niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek tot wraking;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoekster p/a haar gemachtigde;
• de belanghebbende;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. S.W.E. de Ruiter, O.M. Harms en J.C. Sluymer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.N. van Limpt-Schrover en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2020.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.