ECLI:NL:RBDHA:2020:10913
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, in combinatie met de Dublinverordening, die bepaalt dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Tijdens de mondelinge behandeling op 11 augustus 2020, waar eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren, heeft de rechtbank het beroep behandeld. De rechtbank overwoog dat verweerder mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat dit in zijn situatie niet opgaat. Eiser had geen onderbouwde informatie over systematische tekortkomingen in het Duitse asiel- en opvangsysteem of over onvoldoende behandeling van zijn aanvraag in Duitsland.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij bedreigd of gediscrimineerd werd en dat hij onvoldoende had onderbouwd dat de Duitse autoriteiten hem niet konden of wilden beschermen. Ook had eiser niet aannemelijk gemaakt dat klachten bij Duitse autoriteiten zinloos zouden zijn. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit voldoende was gemotiveerd en zorgvuldig was voorbereid.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.