ECLI:NL:RBDHA:2020:1092
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning na echtscheiding en afwijzing beroep op artikel 8 EVRM
Eiser, een Nigeriaanse burger, kreeg een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd om bij zijn echtgenote in Nederland te verblijven. Na feitelijke beëindiging van de relatie en de echtscheiding in juli 2018 trok de Staatssecretaris de vergunning met terugwerkende kracht per 16 april 2018 in. Eiser voerde aan dat hij geen banden meer heeft met Gambia, waar hij voorheen woonde, en dat intrekking van zijn vergunning een schending van zijn recht op privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro inhoudt.
De rechtbank stelde vast dat het huwelijk juridisch was ontbonden en dat eiser niet langer voldeed aan de voorwaarden waaronder de vergunning was verleend, namelijk het voeren van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank oordeelde dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van eiser uitvalt, mede vanwege de korte verblijfsduur in Nederland en de sterke sociale en culturele banden met Gambia en Nigeria.
De rechtbank verwierp het beroep van eiser en concludeerde dat de intrekking van de verblijfsvergunning terecht was en geen schending van het recht op privéleven opleverde. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.