Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de korpschef van de Nationale Politie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
€ 1.073,05, waarbij is uitgegaan van een VIT van € 295,42 bruto per maand. Dit bedrag is hoger dan het definitieve bedrag aan VIT dat bij het primaire besluit was vastgesteld. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om eisers aanvullende uitkering met terugwerkende kracht aan te passen.
laatstelijk genoten bezoldiging’ maar alleen in die van ‘
bezoldiging’. Daarom dient aansluiting te worden gezocht bij de rechtspraak. Eiser verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 25 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA5297. Hoewel deze uitleg over het ARAR gaat, dient deze uitleg ook te worden gegeven bij het Bbp. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Eiser geeft tenslotte aan dat verweerder laakbaar heeft gehandeld door de manier waarop is omgegaan met de declaraties van eiser en het vaststellen van de VIT. Eiser heeft voorts gewezen op een door hem op 3 juli 2020 ingezonden verklaring van een senior jurist van de Nederlandse Politie over de uitleg van het begrip ‘
laatstelijk genoten bezoldiging’.
€ 2.327,24 bruto aan VIT. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
laatstelijk genoten bezoldiging’ in artikel 39b, tweede lid, van het Bbp betekent dat moet worden uitgegaan van het bedrag waarop eiser periodiek feitelijk aanspraak had en niet het bedrag dat feitelijk aan eiser is uitbetaald. Die uitleg blijkt ook uit overweging 4.2 van de onder 3. door eiser genoemde uitspraak. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat onder ‘
laatstelijk genoten bezoldiging’ moet worden begrepen het moment van de uitbetaling van eerder verkregen aanspraken op bezoldiging.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser moet vergoeden.
mr. J.R. van Veen, griffier.