ECLI:NL:RBDHA:2020:1126

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 januari 2020
Publicatiedatum
12 februari 2020
Zaaknummer
C/09/587245 / FA RK 20-208
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Wet zorg en dwangArt. 3.2.3 Wet langdurige zorg
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot machtiging opname en verblijf op grond van de Wet zorg en dwang

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft een verzoek ingediend voor een machtiging tot opname en verblijf van een cliënt met een psychogeriatrische aandoening (Alzheimer) voor de duur van zes maanden. De cliënt verblijft momenteel in een verpleeginrichting en is onderzocht door een arts die haar niet behandelde.

Tijdens de mondelinge behandeling stelde de cliënt dat zij alleen in de instelling verblijft vanwege haar man en liever niet wil blijven vanwege diefstal. Haar advocaat zag geen noodzaak voor een dwangmaatregel omdat de cliënt vrijwillig kan verblijven. De arts gaf aan dat de cliënt ernstig nadeel ondervindt door haar aandoening en zichzelf niet kan verzorgen, maar dat zij momenteel geen verzet toont. De verpleegkundige bevestigde dat de cliënt rustig is en geen uitingen van vertrekwens vertoont.

De rechtbank concludeerde dat de cliënt lijdt aan Alzheimer met ernstig nadeel zoals levensgevaar en verwaarlozing. Hoewel opname en verblijf noodzakelijk zijn, is er geen sprake van verzet tegen vrijwillige opname. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot machtiging af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Verzoek tot machtiging opname en verblijf wordt afgewezen omdat cliënt geen verzet toont tegen vrijwillige opname.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/587245 / FA RK 20-208
Datum beschikking: 31 januari 2020
Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf
Beschikkingnaar aanleiding van het op 21 januari 2020 door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[de vrouw]
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedag] 1929, te [geboorteplaats] ,
thans verblijvende in de verpleeginrichting [verblijfplaats] ,
advocaat: mr. J.C. van Zundert te Delft.

1.Procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op
21 januari 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van
14 januari 2013;
- een aanvraag voor een rechterlijke machtiging aan het CIZ van 10 januari 2020;
- een op 16 januari 2020 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige
arts, mw. drs. L de Ridder, die cliënt met het oog op de machtiging kort te voren
heeft onderzocht, maar niet bij diens behandeling betrokken was;
- een verklaring van de zorgaanbieder Florence van de accommodatie waarin cliënt is
opgenomen van 10 januari 2020;
- een zorgplan van 10 januari 2020;
1.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op
31 januari 2020.
1.3
Ter zitting waren de volgende personen aanwezig, die door de rechtbank de zijn gehoord:
- cliënt, bijgestaan door haar advocaat;
- de [waarnemend arts] ;
- de [verpleegkundige] .

2.Verweer

De cliënt heeft ter zitting aangevoerd dat ze zich op het standpunt stelt dat ze enkel en alleen in de instelling verblijft vanwege haar man die ze niet in de steek wil laten. Ze wil hier liever niet blijven omdat er veel gestolen wordt. Cliënt heeft voorts aangevoerd dat ze geen eigen woning meer heeft.
De advocaat heeft verklaard dat hij geen noodzaak ziet voor het opleggen van een dwangmaatregel. De cliënt toot geen verzet en kan vrijwillig in de verpleeginrichting verblijven.
De arts heeft naar voren gebracht dat cliënt in het kader van een inbewaringstelling sinds een maand op de afdeling verblijft. De cliënt is in het verzorgingstehuis waar ze toen verbleef op het dak aangetroffen en bij de nooduitgang. Het ernstig nadeel is door het dwaalgedrag van de cliënt aanwezig. Voorts is gebleken dat de betrokkene zichzelf niet kan verzorgen. De arts heeft voorts naar voren gebracht dat de cliënt in het begin erg onrustig was en zich leek te verzetten, maar dat daar nu eigenlijk geen sprake meer van is.
De verpleegkundige heeft verklaard dat de betrokkene meestal beleefd en rustig is. Zij doet geen verbale, noch fysieke uitingen dat ze weg wil.

3.Beoordeling

3.1
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten Alzheimer.
3.2
Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel bestaat uit:
- levensgevaar;
- ernstige verwaarlozing;
- de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
3.3
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
3.4
Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
3.5
Gebleken is dat cliënt zich niet verzet tegen een vrijwillige opname en verblijf. Hoewel de cliënt tijdens de zitting aangeeft dat ze liever niet in het verzorgingstehuis blijft, omdat er zou worden gestolen, blijkt uit de verklaringen van de arts en de verpleegkundige dat de betrokkene geen enkel verzet vertoont tegen haar verblijf in de verpleeginrichting. De rechtbank ziet hier in aanleiding tot afwijzing van het verzoek.

4.Beslissing

De rechtbank:
wijst af het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Peters, rechter, bijgestaan door A.E. Babulall-Balkaran als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 31 januari 2020.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 11 februari 2020.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.