ECLI:NL:RBDHA:2020:1128

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2020
Publicatiedatum
12 februari 2020
Zaaknummer
C/09/587997 / KG ZA 20/119
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 117 lid 2 SvArt. 118a SvArt. 30p Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

De Staat mag conservatoir inbeslaggenomen vliegtuig verkopen ondanks zekerheidstelling aanbod

In deze zaak vordert TBM Aviation Ltd dat de Staat de veiling van een conservatoir inbeslaggenomen vliegtuig staakt en dat TBM een jaar de tijd krijgt om zelf een koper te vinden. Subsidiair verzoekt TBM opheffing van het beslag tegen zekerheidstelling van € 1.100.000,- op grond van artikel 118a Sv.

De rechtbank oordeelt dat de Staat bevoegd is het vliegtuig te verkopen op grond van artikel 117 lid 2 Sv Pro en dat de verkoopprocedure niet onzorgvuldig of onrechtmatig is verlopen. Het later toevoegen van inspectierapporten aan de verkoopinformatie leidt niet tot nadeel, mede omdat al een bod hoger dan de marktwaarde was gedaan.

De rechtbank wijst het verzoek af om TBM alsnog de mogelijkheid te bieden zekerheid te stellen, omdat het aanbod van de Staat daartoe niet tijdig is aanvaard en TBM onvoldoende heeft onderbouwd dat zij de zekerheid kan stellen. Bovendien is het in dit late stadium van de veiling onredelijk de veiling te staken ten nadele van andere bieders.

De rechtbank benadrukt dat TBM vrij staat om zelf of via een derde partij aan de veiling deel te nemen en dat de Staat zich niet zal verzetten tegen verkoop aan TBM indien zij de winnende bieder is en haar betalingscapaciteit kan aantonen. TBM wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De Staat mag het conservatoir inbeslaggenomen vliegtuig verkopen en hoeft TBM geen gelegenheid meer te bieden om zekerheid te stellen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/587997 / KG ZA 20/119
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 10 februari 2020
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
TBM AVIATION LTDte Nicosia (Cyprus),
eiseres,
advocaat mr. P.J.M. Boomaars te Breda,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid)te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. I.C. Engels te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘TBM’ en ‘de Staat’.
Aanwezig is mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. A. Vogelaar, griffier.
Tevens zijn aanwezig:
namens TBM:
- dhr. [X], statutair bestuurder van TBM, vergezeld van mr. Boomaars voornoemd als advocaat;

namens de Staat:

- mr. [A], officier van justitie bij het Functioneel Parket Den Bosch, mr. [B], civiel adviseur bij het Functioneel Parket, vergezeld van mr. Engels voornoemd als advocaat.
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1.De gronden van de beslissing

1.1.
Het gaat in deze zaak om de verkoop (op grond van de machtiging van het Openbaar Ministerie) van een inbeslaggenomen vliegtuig Socata TBM700 van TBM (‘het vliegtuig’). Het vliegtuig wordt via een online veiling verkocht. De veiling sluit op 10 februari 2020 om 17:00 uur.
1.2.
TBM vordert, kort weergegeven, primair dat de Staat wordt bevolen de veiling te staken en dat TBM een jaar de tijd wordt gegeven om zelf een koper te vinden. Subsidiair vordert TBM, na wijziging van de eis op de mondelinge behandeling, dat de Staat wordt bevolen het beslag op te heffen tegen zekerheidsstelling door TBM van een bedrag van € 1.100.000,-, op de voet van artikel 118a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
1.3.
Zowel het primair als het subsidiair gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daarvoor is het volgende redengevend.
1.4.
De Staat heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 117 lid Pro 2 (sub b en c) Sv het in beslag genomen vliegtuig te verkopen. Die beslissing is, gelet op de door de Staat genoemde redenen om tot verkoop over te gaan, alleszinszins begrijpelijk.
1.5.
Niet aannemelijk is geworden dat de Staat bij de verkoopprocedure onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat pas op een later moment in het veilingproces de boreoscoop inspectie, een video en de SAS-rapportage aan de verkoopinformatie zijn toegevoegd, maakt de verkoopprocedure niet onrechtmatig. De desbetreffende informatie is inmiddels toegevoegd. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat het later toevoegen van deze informatie tot nadeel heeft geleid, aangezien ten tijde van de mondelinge behandeling (circa zes uur vóór het sluiten van de veiling) al een bod van € 1.000.000,- op het vliegtuig is gedaan. Dit bod is hoger dan de op 23 januari 2020 door Aviomar International B.V. getaxeerde marktwaarde ter hoogte van € 940.000,-.
1.6.
In essentie ligt in dit kortgeding nog als enige vraag voor of de Staat TBM nog de gelegenheid moet bieden om vóór het tijdstip van sluiten van de veiling zekerheid te stellen tegen een bedrag van € 1.100.000,- en daarmee het beslag op het vliegtuig te doen opheffen. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend.
1.7.
Op zichzelf staat als onweersproken vast dat de Staat op 3 februari 2020 (in de e-mail van de officier van justitie mr. [A]) aan TBM het aanbod heeft gedaan om het beslag op te heffen, als TBM voor een bedrag van € 1.100.000,- zekerheid stelt. De Staat heeft TBM hiervoor tot en met vrijdag 7 februari 2020 de tijd gegeven. Dit aanbod van de Staat kan in redelijkheid slechts zo worden begrepen, dat uiterlijk op 7 februari 2020 daadwerkelijk zekerheid moest zijn gesteld door middel van storting van een bedrag van € 1.100.000,- op de bankrekening van de Staat of afgifte van een bankgarantie. Dat is niet gebeurd. Het aanbod van de Staat is daarmee niet tijdig door TBM aanvaard. De Staat heeft de verklaring van (de advocaat van) TBM in de brief van 7 februari 2020 dat TBM ‘het voorstel voor zekerheidstelling ad € 1.100.000,- tegen opheffing van het beslag alsnog wil aanvaarden’ als onvoldoende mogen verwerpen, ook omdat uit de brief niet (voldoende) blijkt dat TBM daadwerkelijk op 7 februari zekerheid van € 1.100.000,- kan en zal stellen.
1.8.
De Staat mag tevens in redelijkheid voorbijgaan aan het ter zitting gedane aanbod van TBM om uiterlijk vóór 16.00 uur alsnog de zekerheid van € 1.100.000,- te stellen.
1.9.
Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat TBM niet heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk in staat is om de aangeboden zekerheid op korte termijn te verstrekken. Van Kampen (de directeur van TBM) heeft tijdens de zitting verklaard dat een derde partij heeft toegezegd bereid te zijn de zekerheid te stellen. Die toezegging is echter niet met een bankgarantie of enig ander schriftelijk stuk onderbouwd.
1.10.
Verder heeft de Staat zich terecht op het standpunt gesteld dat het aanbieden van zekerheid tegen opheffing van het beslag in dit stadium (vijf uur voor het sluiten van de veiling), een gepasseerd station is. De Staat moet immers ook de gerechtvaardigde belangen van de bieders op het vliegtuig meewegen, die in dit stadium van de veiling erop mogen vertrouwen dat de veiling doorgang vindt en die mogelijk ook al kosten hebben gemaakt om een bod op het vliegtuig te doen. Van de Staat kan in redelijkheid niet worden gevergd dat hij de veiling in dit late stadium nog annuleert.
1.11.
Bovendien is onvoldoende aannemelijk dat het passeren van het aanbod om alsnog zekerheid te stellen voor een bedrag van € 1.100.000,- tot schade leidt. Het huidige bod op het vliegtuig bedraagt € 1.000.000,-, terwijl de veiling nog loopt. De Staat heeft gemotiveerd (en onweersproken) gesteld dat de ervaring leert dat het merendeel van de biedingen pas op de laatste dag, kort voor het sluiten van de veiling wordt gedaan. Het is dan ook geenszins denkbeeldig dat het vliegtuig op de veiling meer dan € 1.100.000,- oplevert. Bovendien staat het TBM vrij om zelf aan de veiling mee te doen (of de door haar genoemde derde partij te laten meedoen) en het aangeboden bedrag van € 1.100.000,- in de veiling te bieden. De Staat heeft ter zitting verklaard dat de Staat – als TBM de winnende bieder is en TBM vervolgens kan aantonen goed voor haar geld te zijn – zich niet tegen verkoop aan TBM zal verzetten. Aldus kan TBM door deelname aan de veiling mogelijk hetzelfde bereiken als TBM met de aangeboden zekerheidstelling wil bereiken, namelijk het terugkrijgen van het vliegtuig tegen een bedrag van € 1.100.000,-.
1.12.
De slotsom is dat de Staat de veiling mag laten doorgaan. De Staat hoeft TBM niet meer in de gelegenheid te stellen om zekerheid te stellen voor een bedrag van € 1.100.000,-, en aldus het beslag op het vliegtuig te doen opheffen.
1.13.
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt TBM veroordeeld in de proceskosten, aan de kant van de Staat begroot op € 1.636,- (€ 656,- aan griffierecht en € 980,- aan salaris advocaat).

2.De beslissing

De voorzieningenrechter:
2.1.
wijst de vorderingen af;
2.2.
veroordeelt TBM in de kosten van dit geding, aan de kant van de Staat begroot op € 1.636,-;
2.3.
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. A. Vogelaar mr. S.J. Hoekstra-van Vliet