Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats 1] , Duitsland, eiser
[derde-partij]te [woonplaats 2] , vergunninghouder.
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Hoogheemraadschap van Rijnland om een watervergunning te verlenen voor het aanbrengen van 13.604 m² toename van verhard oppervlak en het aanleggen van een alternatieve waterberging in de Rietveldse Polder nabij zijn perceel.
Eiser stelde dat de vergunning ten onrechte was verleend omdat het waterbassin schade zou veroorzaken aan zijn perceel door zetting en afstromend hemelwater, en dat een integrale belangenafweging inclusief privaatrechtelijke belangen had moeten plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat privaatrechtelijke belangen niet relevant zijn voor de watervergunning en dat de Waterwet de belangenafweging beperkt tot waterstaatkundige doelstellingen.
Daarnaast wees de rechtbank het betoog af dat het waterbassin niet als alternatieve waterberging zou mogen dienen op grond van de Uitvoeringsregels Keur Rijnland 2015. De vergunning was terecht verleend omdat de toename van verhard oppervlak groter was dan 5000 m² en het waterbassin voldeed aan de beleidsregels.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de watervergunning is ongegrond verklaard en de vergunning is bevestigd.