ECLI:NL:RBDHA:2020:11354
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan
Eiser, een Pakistaanse student, diende op 28 maart 2019 een aanvraag in voor een visum kort verblijf met als doel familiebezoek. De aanvraag werd op 15 april 2019 afgewezen omdat eiser het doel van het verblijf en het voornemen om Nederland tijdig te verlaten onvoldoende had aangetoond. Na bezwaar handhaafde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de afwijzing, waarbij als nieuwe grond werd toegevoegd dat eiser onvoldoende middelen van bestaan heeft.
Eiser voerde aan dat hij geen vestigingsgevaar vormt, omdat hij student is en een studie in september 2019 zou voortzetten. Ook stelde hij eigenaar te zijn van onroerend goed en erfgenaam van een pand in Rawalpindi. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan had aangetoond. De ingebrachte stukken over eigendom en werk werden niet als voldoende bewijs erkend, mede omdat deze na het bestreden besluit waren overgelegd en daarom buiten beschouwing bleven.
De rechtbank wees het beroep af en oordeelde dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, zodat van een hoorplicht kon worden afgezien. Ook maakte het feit dat de moeder van eiser wel een visum kreeg geen verschil, omdat haar situatie niet gelijk was aan die van eiser. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.