ECLI:NL:RBDHA:2020:11368
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens onvoldoende bijzondere omstandigheden
Eiseres, geboren in 1971 en van Surinaamse nationaliteit, vroeg op 7 januari 2019 een verblijfsvergunning regulier aan op grond van het recht op privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag op 9 april 2019 af en handhaafde dit besluit op bezwaar op 15 november 2019. Eiseres stelde dat het besluit onjuist was genomen, onder meer omdat zij sinds 1999 in Nederland verbleef en er onvoldoende rekening was gehouden met haar persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank oordeelt dat eiseres niet beschikte over een machtiging tot voorlopig verblijf en dat de Staatssecretaris terecht een belangenafweging maakte waarbij het algemeen belang van een restrictief toelatingsbeleid zwaarder woog. Hoewel sprake is van inmenging in haar privéleven, is onvoldoende gebleken van bijzondere omstandigheden die verblijf in Nederland rechtvaardigen. Eiseres heeft immers lange tijd illegaal verbleven, is niet voldoende geïntegreerd en heeft sterke banden met Suriname.
De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat de Staatssecretaris de belangen van eiseres voldoende heeft meegewogen en gemotiveerd heeft besloten. Ook het beroep op eerdere jurisprudentie en beleidsregels slaagt niet. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wordt ongegrond verklaard.