Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
K. en B.(ECLI:EU:C:2018:877).
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Syrische jongvolwassene, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij zijn vader, die in Nederland een asielvergunning heeft. De aanvraag werd afgewezen omdat de gezinsband tussen eiser en zijn vader was verbroken en eiser niet financieel afhankelijk was van zijn vader. Eiser voerde aan dat zijn vertrek naar Oekraïne om te studeren niet vrijwillig was en dat hij financieel afhankelijk was vanwege de moeilijke situatie voor migranten in Oekraïne.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij dichter bij zijn vader kon studeren en dat de gezinsband daardoor niet was verbroken. Ook was onvoldoende bewijs geleverd dat eiser financieel afhankelijk was van zijn vader. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen vanwege een lopende andere procedure en de Gezinsherenigingsrichtlijn bood geen rechten omdat eiser niet aan het jongvolwassenenbeleid voldeed.
Een brief van de burgemeester over de maatschappelijke inzet van de familie werd erkend maar niet relevant geacht voor de beoordeling. De rechtbank concludeerde dat het bezwaar kansloos was en dat verweerder terecht had afgezien van een hoorzitting. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.