Eiser kreeg op 1 oktober 2020 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd op grond van artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij hij zich in de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) Hoogeveen moest ophouden. De maatregel werd op 14 oktober 2020 opgeheven. Eiser stelde beroep in en verzocht om schadevergoeding voor de periode van de opgelegde maatregel.
De rechtbank stelde vast dat de maatregel niet was voorzien van een deugdelijke motivering, omdat geen enkele grond was aangekruist op het standaardformulier M108-A, wat een vereiste is voor de geldigheid van een vrijheidsbeperkende maatregel. Hoewel een feitelijke toelichting was gegeven, ontbraken de expliciete gronden, waardoor de maatregel van aanvang af onrechtmatig was.
Verweerder voerde aan dat uit de toelichting de grond duidelijk bleek, verwijzend naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak, maar de rechtbank verwierp dit standpunt. De rechtbank oordeelde dat dezelfde strenge motiveringsvereisten gelden voor vrijheidsbeperkende maatregelen als voor bewaring en grensdetentie.
Omdat de maatregel reeds was opgeheven, beperkte de rechtbank zich tot het gegrond verklaren van het beroep en het toekennen van een schadevergoeding van € 700,- voor de periode van 1 tot en met 14 oktober 2020. Tevens werden proceskosten van € 1.050,- aan eiser toegekend. De vordering tot vergoeding van reiskosten werd afgewezen.
De rechtbank stelde dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit bij het opleggen van vrijheidsbeperkende maatregelen in acht moeten worden genomen en dat argumenten van de betrokkene voorafgaand aan de maatregel meegewogen moeten worden.