ECLI:NL:RBDHA:2020:11632
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek zorgmachtiging wegens ontbreken ernstig nadeel
De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die sinds circa tien jaar ononderbroken voorwaardelijke machtigingen had onder de Wet Bopz. De laatst afgegeven machtiging eindigde in mei 2020.
Tijdens de mondelinge behandeling werd duidelijk dat betrokkene momenteel stabiel is, goed meewerkt aan zijn behandeling en geen tekenen van verslechtering vertoont sinds het aflopen van de laatste machtiging. De sociaal psychiatrisch verpleegkundige en de psychiater benadrukten het risico op ernstige ontregeling bij een hypomane episode, maar erkenden ook dat dit risico op dit moment niet concreet is.
De rechtbank concludeerde dat het ernstig nadeel dat in 2011 optrad door een psychotische ontregeling niet recent is voorgekomen en dat er geen aanwijzingen zijn dat dit binnen afzienbare tijd zal gebeuren. Gezien het ontbreken van een actueel en substantieel risico op ernstig nadeel, is het verzoek tot zorgmachtiging afgewezen. De rechtbank wees betrokkene tevens op de mogelijkheid tot het opstellen van een zelfbindingsverklaring om toekomstige zorgafspraken vast te leggen.
Uitkomst: Het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging wordt afgewezen wegens ontbreken van ernstig nadeel.