ECLI:NL:RBDHA:2020:11735

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 november 2020
Publicatiedatum
18 november 2020
Zaaknummer
SGR 20/6380
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijzondere bijstand wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag bijzondere bijstand aangevraagd voor kosten van woninginrichting, eerste maand huur en waarborgsom, welke aanvragen zijn afgewezen. Tegen deze besluiten is bezwaar gemaakt en is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed. In financiële geschillen is dit niet snel het geval, omdat het bedrag na afloop van de bodemprocedure alsnog kan worden terugbetaald. Verzoeker stelt dat hij door ongedierte in zijn huidige woning niet kan verblijven en daardoor feitelijk dakloos is, en dat hij de huur en borg van een nieuwe woning dringend moet voldoen.

De voorzieningenrechter stelt echter vast dat verzoeker niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een acute noodsituatie. De huidige woning is nog in gebruik en de offerte van ongediertebestrijding toont slechts de aanwezigheid van ongedierte, niet de onbewoonbaarheid. Er is geen sprake van dreigende huisuitzetting of andere urgente omstandigheden.

Daarom ontbreekt het spoedeisend belang en wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/6380

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 november 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).

ProcesverloopBij besluit van 22 september 2020 (primair besluit I) heeft verweerder verzoekers aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting afgewezen.

Bij besluit van 22 september 2020 (primair besluit II) heeft verweerder verzoekers aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van de eerste maand huur afgewezen.
Bij besluit van 22 september 2020 (primair besluit III) heeft verweerder verzoekers aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een waarborgsom afgewezen.
Verzoeker heeft tegen de primaire besluiten I, II en III bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Als gevolg van de getroffen maatregelen rondom het coronavirus heeft met toestemming van partijen geen onderzoek ter zitting plaatsgevonden.
Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak – in dit geval het bezwaar – het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Bij brief van 21 oktober 2020 heeft de rechtbank verzoeker gevraagd aan te geven en te onderbouwen waarin ten aanzien van het onderhavige verzoek het spoedeisend belang gelegen is. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij in zijn huidige huurwoning last heeft van ongedierte. Blijkens de offerte van de ongediertebestrijding bedragen de kosten voor het bestrijden van de bedwantsen en/of het andere ongedierte € 550,- per kamer. Verzoeker heeft hierover zijn beklag gedaan bij zijn verhuurder, doch wenst deze de problemen niet op te lossen. Door de staat van de huurwoning kan verzoeker hier niet verblijven. Zelfs als hij een procedure tegen de verhuurder zou ondernemen, zal het een aanzienlijke tijd duren voordat er een uitspraak wordt gedaan. Verzoeker heeft een nieuwe woning gevonden. Voordat hij de sleutel krijgt, dient hij de eerste maand huur en de borg te voldoen. Verzoeker heeft twee huurovereenkomsten, maar kan in geen van de woningen verblijven. Hierdoor is hij de facto dakloos. Wanneer verzoeker de huur en waarborgsom niet op korte termijn voldoet, zal de verhuurder een nieuwe huurder zoeken en heeft verzoeker geen mogelijkheid om op korte termijn aan zijn benarde situatie te ontsnappen, aldus verzoeker.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker hiermee niet aannemelijk gemaakt dat op dit moment sprake is van een acute financiële noodsituatie die meebrengt dat de beslissing op bezwaar in de onderhavige zaak redelijkerwijs niet kan worden afgewacht. Verzoeker heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter namelijk niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie waardoor hij in een positie is terechtgekomen die vergelijkbaar is met de positie van een dakloze. Daartoe is van belang dat verzoeker thans nog de beschikking heeft over zijn huidige huurwoning en verzoeker niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat deze woning door de aanwezigheid van bedwantsen, dan wel ander ongedierte, niet bewoonbaar is. De overgelegde offerte van de ongediertebestrijding is daartoe onvoldoende, omdat hieruit enkel de aanwezigheid van ongedierte in de woning blijkt. Evenmin is gebleken van dreigende huisuitzetting, afsluiting van gas, water of elektra, dat verzoeker niet langer is verzekerd voor de zorgverzekering, dan wel enige andere redenen om een spoedeisend belang aan te nemen.
5. De conclusie is dan ook dat er geen spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af..
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.M. Harms, voorzieningenrechter, in aanwezigheid vanmr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2020.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel